Home > achtergrond > Instrument > De doedelzak in Europa, vroeger en nu - Deel 2

> zoek...
> meer zoeken...
 

De doedelzak in Europa, vroeger en nu - Deel 2
Deel 2 van deze boeiende reeks door Hubert Boone (Instrument)

Hierbij het tweede deel van deze reeks van Hubert Boone. Het eerste deel kon je al een kleine maand geleden lezen. Via verwante artikels kan je dit terugvinden.

Ter herinnering herhalen we dat het niet toegestaan is om het fotomateriaal elders ongevraagd te publiceren. Daarvoor dient men eerst de toelating te vragen aan de auteur, die zo nodig zal doorverwijzen naar een andere rechthebbende persoon of instelling. Dezelfde regelgeving geldt ook voor wat de teksten betreft.

Veel leesplezier met dit tweede deel.

De doedelzak in Europa
en elders in de wereld.
Hubert Boone
 
Deel 2.  
 
Organologie en typologie
 
Bij sommige doedelzakken bestaat het luchtreservoir uit een gewone dierenblaas. Dat was vroeger het geval met de primitieve blaaspijp (doedelblaas), die in de Middeleeuwen zowat overal in Europa verspreid was. Ook nu nog komt deze techniek voor, onder meer bij de archaïsche Poolse sierszenki, een kinderdoedelzak met een varkensblaas, terwijl de Mari (Tsjeremissen) en Tsjoevasjen in Rusland, een ossen- of paardenblaas gebruiken.
 
In verschillende streken van Zuid- en Zuidoost-Europa gebruikt men volledig afgestroopte dierenhuiden, meestal van een jonge geit of jong schaap. Sommige natuurlijke openingen worden dan niet onbenut gelaten. In de hals bevestigt men de melodiepijp en de openingen van de voorpoten dienen voor de vulpijp en een bourdon. De huid wordt meestal binnenstebuiten gekeerd. Achteraan wordt de zak ingekort en de opening samengesnoerd. In Bosnië bindt men in de opening een mooi uitgesneden houten rozet, die vaak versierd is met een spiegeltje. In de Languedoc gebruikt men alleen maar de nekopening, terwijl de gaten van de voor- en de achterpoten worden dichtgemaakt met een stop en versierd met veelkleurige kwastjes.
 
Zakken uit een volledige dierenhuid vindt men ook in Centraal- en Zuidoost-Europa. Maar in West-Europa geeft men bijna overal de voorkeur aan genaaide zakken van grondig bewerkt leder (geit of schaap). Deze traditie klimt er trouwens ver op. Reeds in de 14de en 15de-eeuwse iconografie van de Nederlanden en Frankrijk vindt men voorbeelden waarop de naad goed merkbaar is. Genaaide zakken zijn dikwijls overtrokken met een stoffen hoes. Bij sommige 18de- en 19de-eeuwse instrumenten uit Midden-Frankrijk, en vooral bij de oude barokmusette is deze hoes op zichzelf al een echt kunstwerk. Ze is meestal uit de duurste zijde of fluweel vervaardigd, of uit prachtige brokaat vol goud- en zilverdraden.
 
Wij hadden het reeds over dierenblazen, afgestroopte geiten- en schapenhuiden en genaaide zakken. Op sommige plaatsen durfde men vroeger ook wat anders gebruiken, zoals een hondenhuid in Bretagne en Hongarije, en de maag van een zeerob in Estland. Tegenwoordig gebruikt men ook synthetische materialen. Zo zijn zakken van rubber sterk in trek in Spanje, maar men vindt ze ook in Italië en Frankrijk.
Het spreekt vanzelf dat een reservoir soepel en luchtdicht moet zijn. Daarom wordt de zak nu en dan behandeld met een speciale brij – vaak op basis van honing en vet – die in de naden dringt en de verbindingen van de houders goed afsluit.
 
Het opblazen van de zak gebeurt meestal met de mond via een kort buisje, vulpijp genoemd. Bij sommige archaïsche instrumenten gebruikt men hiervoor materialen met een natuurlijke holte zoals vlierhout, riet, vogelbot of een buisje van metaal of kunststof, dat rechtstreeks in de zak gebonden wordt. Om te beletten dat de lucht zou ontsnappen bij het inademen, sluit men met de tong de voorkant van het buisje af.
Bij de meeste doedelzakken is de vulpijp evenwel uit hout gedraaid of gesneden, en achteraan voorzien van een lederen klepje; door de luchtdruk in de zak zal dit klepje de opening vanzelf afsluiten. Dergelijke vulpijpen zitten niet meer rechtstreeks in de zak, maar in een korte uitgeboorde houder die in de zak gebonden is.
In West-Europa moet de techniek van het afsluitend klepje reeds zeer oud zijn. Zo ziet men op 15de-eeuwse schilderijen doedelzakspelers musiceren zonder dat ze de vulpijp in de mond houden, wat alleen maar mogelijk is wanneer een dergelijk klepje aanwezig is.
 
Niet alle doedelzakken worden met menselijke adem opgeblazen. In verschillende streken gebeurt dit door middel van een blaasbalg die aan de arm gebonden is (meestal rechts) en met de elleboog bediend wordt. Men kent deze traditie vooral in Polen, Bohemen, Sorbië (Duitsland), Hongarije, Auvergne, Ierland, Northumberland en sporadisch ook in Berry (Fr.), Schotland, Noordoost-Servië en de Roemeense Banat.
Het gebruik van de blaasbalg bij een doedelzak moet ontstaan zijn tegen het einde van de 16de eeuw, maar de techniek was toen reeds vele eeuwen bekend in de smidse en bij het orgelspel. In het begin van de 17de eeuw is de blaasbalg al een vast element van de Franse barokmusette. Vanuit Frankrijk zou deze techniek overgewaaid zijn naar Engeland en Ierland en waarschijnlijk ook via Duitsland naar Centraal-Europa.
 
 
 
De klinkende pijpen
 
De meeste deskundigen verdelen de klinkende pijpen van de Europese doedelzakken in vier types. Ze steunen zich hiervoor op de vorm van de boring (die bepalend is voor de luchtkolom): cilindrisch of conisch, en de aard van het gebruikte riet: enkel of dubbel.
Naargelang de luchtkolom aan het trillen wordt gebracht met een enkel- of dubbelriet, spreekt men respectievelijk van een klarinet-type of een hobo-type. Zo onderscheidt men:
A. cilindrische klarinetten, B. conische klarinetten, C. cilindrische hobo’s, D. conische hobo’s. Tenslotte klasseert men de klinkende pijpen ook naargelang van hun functie: melodiepijpen of bourdons. Deze laatste indeling schenkt niet iedereen voldoening.
 
 
De melodiepijpen
 
A. Cilindrische klarinetten zijn eigen aan de Centraal- en Oost-Europese instrumenten. De uiterste verspreidingspunten zijn bij benadering: Dalarna (Zweden) en Estland, de Russische Wolga-republieken Mari El en Tsjoevasjië en het wat verder gelegen Oedmoertië, Armenië, Turkije, Azerbajdjan, Griekenland, Malta, Istrië en sporadisch ook Italië (o.m. het surdelina-type). Meer naar het Westen toe loopt de grens doorheen Duitsland. Zo zijn er voorbeelden bekend uit Ober-Pfalz en Thüringen. Helemaal geïsoleerd vindt men dit type ook in Gascogne (de zgn. boha), maar dit is dan wel het enige West-Europese voorbeeld.
 
B. Conische klarinetten zijn alleen maar verspreid in Bulgarije, Italië en Sicilië.
 
C. Cilindrische hobo’s zijn eerder een zeldzaamheid. Ze komen alleen voor bij de Northumbrische small-pipes en de Franse barokmusetten, die in de 17de en 18de eeuw in Parijs en Lyon vervaardigd werden, maar die tegenwoordig aan een herleving toe zijn.
 
D. Conische hobo’s vindt men overal in West- en Zuidwest-Europa: het Noordoosten van Engeland (de zgn. Lowland-pipes en Border-pipes), Schotland, België, Duitsland, Frankrijk, Spanje, Portugal, de Balearen, Noord-Italië en voorheen ook nog in bepaalde Alpengebieden.
 
Bij heel wat doedelzakken wordt de melodie niet op één enkele pijp gespeeld, maar in combinatie met een tweede pijp, die divergent of parallel geplaatst is. Eén van beide pijpen heeft meestal een begeleidende functie. Dubbele melodiepijpen met divergente opstelling zijn eigen aan Midden- en Zuid-Italië, Sicilië en Istrië. Ze worden elk met één hand bespeeld, wat zeer specifieke muzikale mogelijkheden biedt.
Bij de dubbelpijpen met parallelle opstelling onderscheidt men twee bouwtechnische principes. Zo worden twee buisjes (riet, vogelbot, metaal) in een trogvormig uitgesneden houten blok bevestigd, onderaan al dan niet uitmondend in een klankbeker van hoorn of metaal. Voorbeelden van deze techniek vindt men in de Wolga-republieken Mari El, Tsjoevasjië en Mordovië, in Armenië, Georgië, Adjarië (deelrepubliek van Georgië), Oost-Turkije en verschillende Griekse eilanden. De verhouding tussen de vingergaten (aantal en plaatsing) van iedere pijp is bijna altijd ongelijk, en het aantal varianten is zeer uitgebreid.
 
Bij een andere techniek worden de twee parallelle kanalen in één rechthoekig blok hout geboord of gebrand. Deze groep kan men in feite in twee categorieën onderverdelen. Een eerste categorie is eigen aan de Joegoslavische kustgebieden, voornamelijk Bosnië-Herzogovina. Eén van beide kanalen heeft meestal minder vingergaten, maar het aantal mogelijkheden is zeer groot, terwijl het gebruik van sommige vingergaten heel wat verrassingen inhoudt. Een paar varianten komen ook voor in Griekenland en in Bulgarije.
 
De tweede categorie omvat instrumenten met een zogenaamde contrapijp die onderaan bijna altijd een uitsteeksel (pen) heeft, waarop een uitgesneden voetje of een klankbekertje past. Dergelijke voorbeelden zijn verspreid in Hongarije, Slovakije, Podhalië (Polen) en hier en daar in Roemenië en Oekraïne. Een gelijkaardig type komt eveneens voor in Noordoost-Servië en de Roemeense Banat, maar daar monden beide kanalen uit in een klankbeker in de vorm van een langgerekte U, of een halve cirkel, die uit hout gesneden is.
Bij al deze varianten heeft de contrapijp slechts één vingergat, zodat ze maar twee tonen kan produceren, bij ons weten altijd de tonica (nl. grondtoon van de melodiepijp) en de kwint in het lager octaaf. Door haar beperkte muzikale mogelijkheden wordt de contrapijp door vele musicologen beschreven als ritmische bourdon.
 
 
De bourdons
 
Bourdons zijn pijpen die steeds dezelfde toon laten doorklinken. Ze worden afgestemd op een bepaalde toon van de melodiepijp (tonica, kwint, kwart) en geven van die toon een unisono of een octaafklank weer. Om het stemmen te vergemakkelijken, worden de bourdons meestal uit twee of drie delen vervaardigd, die gedeeltelijk telescopisch in mekaar schuiven, wat verlengen of verkorten mogelijk maakt. Typologisch onderscheidt men dezelfde mogelijkheden als bij de melodiepijp, maar de diversiteit is minder complex.
 
A. Cilindrische klarinetten zijn over heel Europa verspreid. Men vindt dergelijke bourdons bij alle doedelzaktypes in Oost-, Noordoost-, Zuidoost- en Centraal-Europa. Met uitzondering van de Bulgaarse djoera ġaita hebben de doedelzakken in deze streken dus bourdons en melodiepijpen van hetzelfde type. Soms verloopt hun cilindrische boring wel met een vergrotende trap, terwijl de uiteinden vaak uitmonden in een verbreding (Bulgarije, Macedonië) of in een speciaal aangebrachte klankbeker: een hoornstuk (Bohemen), metalen verhoog (Polen), uitgeholde bol (Servië), enzovoort. Om de bourdonlengte te reduceren, wordt wel eens een verkortend deel gebruikt, zoals een beugelvormige metalen buis (Hongarije), een kader of een blok met verbonden kanalen (Servië, Bohemen, Polen).
 
In West-Europa zijn cilindrische bourdons (met enkelriet) een vast element van de doedelzakken met een conische schalmei (met dubbelriet). Ze zijn er bijna altijd gebouwd met vergrotende trappen: ieder deel heeft dan een grotere boring, bijvoorbeeld het eerste deel 6mm, het tweede 8mm en het derde 12mm. Sommige pijpen hebben aan het bovenste deel een uitgeholde verdikking met vernauwend uiteinde (Schotland, Bretagne, Spanje).
 
B. Conische klarinetten zijn alleen maar verspreid in Sicilië en Italië.
 
C. Cilindrische hobo’s zijn eigen aan de Franse barokmusetten. De bourdons van deze speeltuigen bestaan uit 13 tot 15 parallelle kanalen die in een cilindrisch spoel van ivoor of hout zijn aangebracht. De verschillende boringen zijn in series verbonden, zodat men 4 tot 5 bourdons verkrijgt, die met een ingenieus systeem kunnen gestemd of afgesloten worden. Ook bij de eerste Northumbrische small-pipes was deze techniek bekend, maar daar werd snel overgeschakeld op gewone cilindrische bourdons met enkelriet (hun melodiepijp behield echter wel een dubbelriet).
 
D. Conische hobo’s vindt men eveneens in Sicilië en Italië (naast conische klarinetten), maar ze kunnen ook voorkomen – in de vorm van kleine bourdons – bij sommige doedelzakken van Auvergne, Galicië en de centrale Pyreneeën.
 
Terwijl het aantal melodiepijpen steeds beperkt is tot één of twee, zijn er heel wat meer mogelijkheden wat de bourdons betreft. Hun aantal schommelt tussen één en zes, en op sommige plaatsen wordt die ene bourdon zelfs nog ongebruikt gelaten; dichtgestopt, zoals in Auvergne en tot voor kort ook elders in Frankrijk. Bij de instrumenten met vier, vijf of zes bourdons is het wel zo dat er nooit meer dan drie gelijktijdig samenklinken, de andere worden uitgeschakeld (Franse barokmusette en Northumbrische small-pipes). Sommige doedelzakken bieden nog een andere verrassing; ze hebben naast één functionele bourdon nog één of twee stomme bourdons (helemaal niet doorboord), die alleen maar als versiering zijn aangebracht. Voorbeelden daarvan vindt men in het Zweedse Dalarna en op het eiland Majorca.
 
Dit typologisch overzicht van melodie- en bourdonpijpen geeft ons evenwel een te beperkt beeld van al de mogelijkheden. Bij heel wat doedelzakken worden verscheidene elementen immers gebruikt in gemengde samenstelling. Daarenboven worden bepaalde onderdelen, die voorkomen bij verschillende types, niet overal op dezelfde manier gebruikt. Zo zal bijvoorbeeld een conische schalmei met dubbelriet op een totaal andere manier bespeeld worden in Schotland dan in Auvergne of in Spanje.
 
Dat lokale muzikale en bouwtechnische tradities tot bijzondere resultaten kunnen leiden, wordt het best geïllustreerd met twee voorbeelden. De gesofisticeerde Ierse Uilleann-pipes is er een van. Hij heeft een conische schalmei (met dubbelriet), voorzien van acht vingergaten, die ten gevolge van bepaalde akoestische kwaliteiten en de toegepaste overblaastechniek, een ambitus heeft van twee octaven. Door het kanaal onderaan af te sluiten op een lederen knielap (de schalmei heeft geen stemgaten onderaan), kan de speler ook een staccatotechniek toepassen. Buiten de drie cilindrische bourdons met enkelriet, die de tonica in drie octaven weergeven, beschikt het instrument ook nog over drie bijkomende pijpen (regulators) met gesloten conische boring en dubbelriet. Ze zijn voorzien van een reeks kleppen, die de speler selectief kan openen om aldus bepaalde samenklanken of akkoorden te vormen.
 
Zulke uitzonderingen zijn niet alleen eigen aan de technisch sterk ontwikkelde types van West-Europa, ook bij de zogenaamde archaïsche doedelzakken vindt men gelijkaardige staaltjes. Een voorbeeld hiervan is het gajde-type van de Servische bevolking die rond de Hongaarse stad Pécs woont. Bij deze doedelzak zitten vier rieten pijpen samen in een trogvormig uitgesneden blok hout. Vooraan bevinden zich twee pijpen: de melodiepijp (links) met een gesloten kanaal en voorzien van vijf vingergaten, met daarnaast een soort contrapijp, zoals gebruikelijk met één vingergat, maar waarvan het kanaal eveneens gesloten is, zodat deze pijp slechts één enkele toon produceert, namelijk wanneer men dat ene gat opent. Op de bodem van het blok ligt een bourdonpijp met open kanaal, met daarnaast nog een kortere pijp, nl. een gesloten octaafbourdon die men via een te openen duimgat kan laten klinken. Dit instrument heeft ook nog een separate grote bourdon, die twee octaven lager klinkt dan de tonica. Het merkwaardig resultaat van deze combinatie is een doedelzak met veel polyfone en staccatomogelijkheden.
 
 
Kort historisch overzicht
 
Verschillende muziekhistorici vermoeden dat de doedelzak uit Zuidwest-Azië stamt, maar die veronderstelling kan niet voldoende bewezen worden. Met meer zekerheid weet men dat hij reeds bekend was bij de oude Grieken en later in het Romeinse rijk verspreid geraakte.
            Suetonius, de geschiedschrijver van de Romeinse keizers, citeert in een bepaalde passage Nero als doedelzakspeler, waarvan volgende vertaling: Tegen het einde van zijn leven wist hij echter duidelijk … dat hij tijdens de spelen, na de behaalde overwinning, ook zou optreden als waterorgelspeler, fluitspeler (?), doedelzakspeler [… hydraulam et choraulam et utricularium …] en op de laatste dag als toneelacteur, en dat hij zou dansen als Turnus van Vergilius.
 
Een gelijkaardige getuigenis, die alle twijfel wegneemt, komt van Dios Chrysostomus, een tijdgenoot van Suetonius.
 
            De troebele tijden en de volksverhuizingen van later luiden ook voor de doedelzak een duistere periode in; men zal eeuwen moeten wachten op nieuwe gegevens. Een eerste middeleeuwse vermelding vindt men in een brief van Sint-Jeroom aan Dardanus. In dit document – dat volgens de vermaarde muziekhistoricus Curt Sachs tot de 9de eeuw kan teruggaan – wordt een instrument vernoemd met een zak, een pijp waarin men blaast en een pijp waarop de melodie gespeeld wordt. Voor de daarop volgende eeuwen kent men nog een paar zeldzame gegevens uit Engeland, Wales en Ierland.
 
            Op het einde van de 13de eeuw is de doedelzak reeds algemeen verspreid in West-Europa en ziet men hem vaak afgebeeld op miniaturen. De eerste afbeeldingen tonen ons vrij eenvoudige instrumenten met een zak, vulpijp en melodiepijp. De grote bourdon is dan nog niet aanwezig, maar het is best mogelijk dat er zich naast de melodiepijp soms een even lange of kortere bourdon bevond, want op een aantal afbeeldingen merkt men zeer brede en platte melodiepijpen die misschien tweemaal doorboord waren. Voor deze periode zou een dergelijke bouwwijze niet ongewoon zijn, daar een vergelijkbaar principe ook voorkomt bij bepaalde Arabische instrumenten: een melodiepijp met daarnaast een – weliswaar afzonderlijke – pijp zonder vingergaten, die als bourdon fungeert.
Op andere afbeeldingen ziet men doedelzakken die duidelijk een conische melodiepijp (schalmei) hebben. Het staat in ieder geval vast dat er in de 13de eeuw al heel wat geëxperimenteerd werd, vooral dan in Zuidwest-Europa, dat toen door de invloed van de troubadours het cultuurcentrum en uitstralingsgebied bij uitstek was. Zo vindt men op miniaturen uit de beroemde Cantigas de Santa Maria drie verschillende doedelzaktypes.
Eén afbeelding toont ons twee instrumenten met een (cilindrische?) melodiepijp, die in een houder zit die een gekroond koningshoofd of een dierenkop voorstelt. In beide gevallen heeft de melodiepijp onderaan een soort hoornstuk als klankbeker.
 
Een andere prent toont eveneens twee gelijkvormige doedelzakken, ditmaal met gescheiden pijpen (de ene staat voor de andere), die onderaan verbonden zijn met een dwarsstuk.
Op de derde afbeelding (de minst duidelijke) staat een instrument met twee naast mekaar geplaatste pijpen van ongelijke lengte (twee melodiepijpen of één melodiepijp en een bourdon?).
 
Op het einde van de 13de eeuw wordt aan de doedelzak een grote bourdon toegevoegd. In de pastourelle Le jeu de Robin et Marion, geschreven rond 1275 door de Picardische trouvère Adam de la Halle, is er reeds sprake van le muse au grand bourdon.
Volgens muzikhistoricus Curt Sachs was zo een grote bourdon vereist omwille van de grotere toonomvang van de West-Europese muziek. De doorklinkende bourdontoon zou dan niet meer verstrengeld zitten in de melodie – zoals in de Arabische muziek – maar heel wat lager klinken dan de grondtoon van de schalmei. Wegens zijn afmetingen kan deze grote bourdon niet meer naast de melodiepijp staan. Men zal hem elders plaatsen en op de schouder laten rusten. Dit doedelzaktype zal vrij vlug in heel West- en Zuidwest-Europa verspreid geraken, en wat later komt het ook voor in Midden-Europa.
Het instrument wordt in die periode hoofdzakelijk afgebeeld in herderstaferelen, met de geboorte van Christus als centraal thema. De doedelzak moet toen wel hoog in aanzien gestaan hebben, want meer dan eens ziet men hem bespeeld door engelenfiguren en soms zelfs door koningen.
 
In de middeleeuwse iconografie ziet men sporadisch ook nog de primitieve blaaspijp, een soort doedelzak met een rechte of kromme melodiepijp en met een dierenblaas als luchtreservoir. Ze wordt nog vermeld in Musica getutscht (1511), het bekende werk van Sebastiaan Virdung, maar daarna zal dit instrument in West- en Centraal-Europa uitsterven.
 
Doedelzakken met twee bourdons komen reeds voor in de 15de eeuw. Het is vooral in het Duitse cultuurgebied en in de Nederlanden dat dit type in de 16de en 17de eeuw een groot succes kende. Beide bourdons worden in unisono, octaaf of kwint gestemd. In die periode zullen religieuze en herderstaferelen stilaan de plaats moeten ruimen voor ommegangen, dansfeesten en bruiloften; de doedelzak wordt dan het volksinstrument bij uitstek.
 
Reeds in het begin van de 17de eeuw zijn er in West- en Centraal-Europa verschillende types bekend. Zo geeft de Duitse geleerde Michael Praetorius in zijn Syntagma Musicum van 1919, een beschrijving en een afbeelding van zes verschillende soorten. Hij blijft ietwat verrast staan bij een instrument met twee divergent geplaatste melodiepijpen, dat hij in de omgeving van Magdenburg zag. Toch was dat indertijd niet zo uitzonderlijk, want in de iconografie van Wales en Engeland vindt men tussen 1450 en 1600 eveneens doedelzakken met twee divergente melodiepijpen. Een dergelijk type, maar met een andere dispositie van de bourdons, kent men trouwens nu nog in Italië en Sicilië.
Praetorius beschrijft eveneens een instrument met een cilindrische melodiepijp en twee of drie bourdons (Hümmelchen en Dudey). Hij bespreekt ook als eerste de Franse barokmusette, een nogal gesofisticeerd instrument met een blaasbalg, dat erg geliefd zal worden in de aristocratische kringen. De barokmusette paste in de 17de en 18de eeuw maar al te goed bij de nieuwe levensstijl en men gebruikte ze graag om er de typische ‘dansfeestjes op het gazon’ mee te begeleiden. Deze doedelzak zal ook in de kunstmuziek een rol van betekenis spelen. Bekende Franse componisten zoals Joseph Bodin de Boismortier, Jacques Hotteterre, Jean-Philippe Rameau en anderen zullen er een aantal prachtige stukken voor schrijven.
 
In de 18de en vooral in de 19de eeuw is de doedelzak reeds op verschillende plaatsen verdwenen. Vaak moest hij de plaats ruimen voor de technisch meer ontwikkelde klarinet, en later voor de succesvolle opmars van het accordeon (harmonica). Toch werd in tal van Europese landen, voornamelijk door herders, de doedelzaktraditie in ere gehouden.
De laatste decennia is er zowat overal een belangrijke herleving tot stand gekomen, ook in landen waar het instrument al helemaal uitgestorven was, zoals in België, Nederland, Zweden en Duitsland.
 

 
 
 
 
Legende van de  foto’s
 
8. Samenkomst van jonge Roemeense cimpoi-spelers in Bătrîni in de provincie Prahovo.
De foto werd gemaakt omstreeks 1950 door de bekende musicoloog Tiberiu Alexandru, die heel wat werken publiceerde over de Roemeense volksmuziek.
Verz. HB.
 
9. Tomasz Brudło uit Wąchabna in de streek van Wolsztyn (Polen), gefotografeerd in 1934 met een kozioł lubuski, een doedelzak van het zogenaamde ‘bock’-type.
© Polska Akademia NAUK, Instytut Sztuki, Warschau; verz. HB.
 
10. Doedelzakspeler uit het Noord-Engelse mijndorp Ashington, gefotografeerd in 1859 met de zogenaamde Lowland-pipes. Volgens onze informatie gaat het om het oudste fotografisch document van de Europese doedelzaktraditie. Zoals de meeste West-Europese doedelzakken heeft ook dit type een conische schalmei met dubbelriet en cilindrische bourdons met enkelriet. De Lowland-pipes functioneert met een blaasbalg.
© The Bagpipe Museum, Newcastle & Colin Ross, Monkseaton (Whitley Bay); verz. HB.
 
11. Ensemble uit Eauze (Gers) in Frankrijk met draailier, viool (rechtshandig bespeeld) en boha, gefotografeerd rond 1912. De boha is een volkomen geïsoleerd doedelzaktype in de West-Europese traditie. Hij heeft een dubbele melodiepijp met enkelriet, en waarvan één kanaal de functie heeft van een ritmische bourdon (produceert twee tonen: tonica en kwint). Door zijn typische constructie is de boha verwant aan sommige doedelzakken uit Centraal- en Oost -Europa (Hongarije, Slovakije, Oekraïne)
Verz. HB.
 
12. Duda-speler József Pintér uit Domaszék in de provincie Csongrád (Hongarije), gefotografeerd in 1967. Zijn doedelzak heeft een dubbele melodiepijp, en waarvan één kanaal de functie heeft van een ritmische bourdon.
© Bálint Sárosi, Budapest; verz. HB.
 
13. Rondtrekkende Ierse muzikant met Uilleann pipes, gefotografeerd in het begin van de 20ste eeuw. Let op het leren bandje boven de rechterknie waarop de speler het (open) uiteinde van de schalmei afstopt, wat de mogelijkheid biedt om ‘staccato’ (afgestoten) te spelen.
© Na Piobairi Uilleann, Dublin; verz. HB.
 
14. Twee miniaturen uit de bekende Cantigas de Santa Maria (Spanje, einde 13de eeuw).
Verz. HB.
 
15. Herderstafereel uit een Franse Calendrier de bergers van 1493. Doedelzakken met een grote bourdon zoals op deze prent, worden reeds vermeld rond 1275 door de Picardische trouvère Adam de la Halle in zijn pastourelle Le jeu de Robin et Marion.
Gillebert de Berneville - een trouvère die in dezelfde periode in onze gewesten vertoefde en metgezel was van Hendrik III, hertog van Brabant – heeft het in een van zijn gedichten over la muse au grant bourdon en la muse au gros bourdon.
Verz. HB.
 
16. Sorbisch ensemble met klarinet, husla (kleine vedel) en kozoł (of mĕchawa), gefotografeerd in 1896 tijdens de tentoonstelling van Saksische kunstambachten in Dresden.
De Sorben - ook Wenden genoemd - zijn een kleine Slavische minderheid in het Oosten van Duitsland, de streek tussen Cottbus en Bautzen (Budýsin). Hun taal is het Sorbisch (niet verwarren met het Servisch).
© Institut für sorbische Volksforschung, Bautzen; verz. HB.
 
17. Dude-speler uit de streek van Ivano-Frankivsk (Oekraïne).
Afbeelding uit: Вертков, К., АтласмузыкальныхинструментовнародовСССР, Москва, 1963 (Atlas van de volksinstrumenten van de USSR); verz. HB.
 
 


(steven)
16/02/2006 23:17

Bookmark and Share
© folkroddels.be
reacties
Weeral van een onuitgegeven kwaliteit, dit artikel!
Van de meester vewachten we natuurlijk niks anders.
Proficiat Hubert, en natuurlijk ook jij, Steven.


DROMADER, 17/02/2006 09:26 (14996) - top
Hartelijk dank, Hubert en andere betrokkenen!!!
Stefan Timmermans


AFR (Anonieme Folkroddelaar), 17/02/2006 10:20 (15000) - top
Joepie! Nog eentje voor de bibliotheek. Wanneer komt dit in boekvorm naar buiten?

knorrie, 17/02/2006 10:51 (15008) - top
Bedankt, Hubert, voor je bewonderingwekkend veldwerk gedurende al die jaren, toen wij nog slapende waren.
Gunter Bauweraerts


AFR (Anonieme Folkroddelaar), 17/02/2006 11:58 (15013) - top
voeg commentaar toe... (disclaimer)

Folkroddels Radio
bijschrift
  • I
  • streek: Niet doorgegeven
  • I
  • datum:
  • I
  • genre(s):
  • I
  • website:
  • I
  • email:
  • I
  • aantal malen gelezen: 6554
  • I
  • artnr: 22606
    redactie
  • I
  • wijzig artikel
  • I
  • upload foto
    verwante artikels
  • I
  • De doedelzak in Europa, vroeger en nu (Instrument)
  • I
  • De doedelzak in Europa - deel 3 (Instrument)
  • I
  • De Doedelzak in Europa vroeger en nu - deel 4 (Instrument)
  • I
  • De Doedelzak in Europa vroeger en nu - deel 5 (Instrument)
    mail
    Mail dit artikel naar een vriend...
    Recentste Instrument 
    achterklap
    Mooie videoclip van deze plaat op https://www.youtube.com/watch?v=K1REDX8kMyk ...

    Hallo, Op zondag 25 februari 2018, vanaf 14u, hommage-optreden aan John Lundström in Den Beulebak te...

    Welkom op Sonamos Latinoamerica dan: http://www.folkroddels.be/artikels/53204.html
    ...


    snelnieuws
  • I
  • Fairport Convention
  • I
  • Marco Van Wesemael: Vederlicht // boekvoorstelling
  • I
  • Hide & Seek Festival: Baul Meets Saz (Ind/Turk)
  • I
  • Minyeshu TRIO (Ethiopië)
  • I
  • Hide & Seek Festival: Renaud Garcia-Fons (FR)
  • I
  • Raphaël De Cock & Edwin Vanvinckenroye
  • I
  • Hide & Seek Festival: Justin Vali Trio (Madagascar
  • I
  • Hide & Seek Festival: Clarinet Factory (CZ)
  • I
  • Hide & Seek Festival: Egschiglen (Mongolië)
  • I
  • Hide & Seek Festival: Tiny Legs Tim
  • I
  • Soetkin Collier Trio // gratis concert
  • I
  • Naragonia Quartet– Mira – 2018 – Homerecords
  • I
  • Sinnekloas danst // gratis Baleynbal
  • I
  • GUSTAVO ECCLESIA- ARGENTINA
  • I
  • ROBY LAKATOS ENSEMBLE
  • I
  • 3de Festival "Bals et Roses"
  • I
  • QUEBRACHE ARGENTINE TANGO AND FOLK
  • I
  • DÍAZ/MOLINA GUITAR DUO ‘PAMPA DEL PLATA’ ARGENTINA
  • I
  • DOIMNIC MAC GIOLLA BHRÍDE- IRISH TRADITIONAL
  • I
  • MUSIC FROM CRETE
  • I
  • O CLUBE DO CHORO DE BRUXELAS INVITES
  • I
  • Vishtèn // concert i.s.m. CC Sint-Niklaas
  • I
  • Het Brabants Volksorkest Mazur-Polkadag Herent
  • I
  • Jonas Meersmans
  • I
  • Hide & Seek Festival 2018
  • I
  • SCINTILLA- MUSIC FROM BRAZIL
    © Folkroddels.be 2005 - Contact - Redactie - Disclamer - Webdesign - Sitemap

    des: Arban