De Gentse Boombal-marathon heeft me dit jaar op verschillende punten verrast, en meestal dan nog zelfs aangenaam. Eerst en vooral deed Leen Devyver tijdens de dansinitiatie opnieuw lovende pogingen om de neofieten te leren rustig dansen: tijdens de scottish heeft ze minstens tien keer gezegd ?en vooral niet springen!?. Wie het nu nog niet gehoord heeft ...
Tweede verrassing was Embrun. Op Gooikoorts 2003 speelden ze een mooi bal, hoewel er toch regelmatig wat teveel met het ritme werd geprutst. Niets daarvan dit keer. Hun muziek was gewoon subliem, met schitterende arrangementen die alles toch perfect dansbaar hielden, op slechts één mazurka na (de tweede die ze speelden), waar ze precies rap vanaf wilden zijn. Ofwel wilden ze daarmee reeds een trend inzetten waarop DJ Koen met graagte inspeelde: TGV-folk waarvoor ge minstens een pilleke ecstasy moet pakken om het te kunnen bijhouden. Ik heb nog nooit zo rap een andro gedanst!
En dan Minuit Guibolles. Op risico van door de Genste rechtbank veroordeeld te worden wegens inbreuken op de anti-racisme-wetgeving (de leden van Minuit Guibolles zijn als niet-Belgen tenslotte vreemdelingen), wil ik toch een klein beetje kritiek kwijt. De eerste twee nummers waren niet dansbaar. Ik heb zelfs, met de nodige excuses uiteraard, een aanbod tot dansen vanwege een lieftallige jongedame afgeslagen. Gelukkig kon ik dat meteen rechtzetten toen als derde nummer een zeer mooie wals werd gespeeld, waarna er eigenlijk geen accidenten meer gebeurden. Hoewel, ik moet zeggen, echt bekoren deden ze me nooit, misschien omdat we door Embrun reeds teveel waren verwend. Alleen een mazurka vond ik boven de middelmaat uitkomen, maar misschien dient daarvoor alle eer te gaan naar Deborah, dankzij wie ik hem op een zalige manier gedanst heb.
Wat ik wèl positief vond, was het iets meer uitgebreide dansrépertoire van deze zuiderburen, waaronder een laridé in 8 tijden. Aangezien ook sommige Vlaamse groepen dit op bals beginnen te spelen, wil ik daarover hier mijn ei kwijt.
De laridé is een Bretoense rij- of cirkeldans uit de Vannetais (in de Morbihan) die, net zoals de gavotte, meestal gedanst wordt op liederen. Ethymologisch is er een discussie of laridé synoniem is voor ridée, een term die men eerder gebruikt in de streek in het noorden van Bretagne die men le Pays Gallo noemt, en dit voor dansen die als twee druppels water lijken op deze uit de Vannetais. In beide gevallen zou de naam ontstaan zijn uit het veelvuldig gebruik in de liedjesteksten van steeds terugkerende nonsens woordgroepen zoals ?a laridon, a laridaine, a laridondaine?, vrij vertaald in het schuun Vloms: ?falderi, faldera, falderaldeliere? of het Antwerps analogon ?piezewiezewies boem boem?. Voorwaar een interessant taalgebruik, dat ook reeds in de middeleeuwen werd gehanteerd, denk maar aan het gedicht Eens meien morgens vroege, met het bekende ?Harba lorifa, harba harba lorifa, harba lorifa!?. Ooit heb ik omtrent dit gedicht iemand drie strafstudies weten krijgen, toen die op de vraag van De Pirre, onze toenmalige leraar Nederlands, welke activiteit van de drie jonkvrouwen door de dichter met die woorden eigenlijk werd beschreven, antwoordde: jodelen ! Sindsdien staat voor altijd in mijn geheugen gegrift dat het .... moet zijn (wie kan het invullen ?).
Maar nu terzake. Voor de laridé in 8 neemt men dezelfde positie in als voor de andro, inclusief de pinkjes. Maar daarmee houdt verder de vergelijking op.
Op het Boombal heb ik de meeste dansers de toeristenversie van de laridé in 8 tijden zien dansen. Qua voetenwerk gaat die (per tijd) als volgt:
-
stap met linkervoet een beetje naar links, en hef de rechtervoet meteen daarna op,
-
zet rechtervoet naast de linker, die je meteen wat opheft
-
plaats de linkervoet opnieuw naar links, met rechter opnieuw opheffen
-
zet rechtervoet opnieuw naast de linker, maar til die nu niet op. Je staat nu met beide voeten op de grond (althans letterlijk).
-
breng hielen van de grond
-
zet hielen neer
-
breng hielen opnieuw van de grond
-
zet opnieuw neer en hef linker voet meteen op om terug met stap 1 te beginnen.
Er horen ook armbewegingen bij: op 1 breng je ze naar boven, op 2 terug naar beneden, op 3 terug naar boven en op 4 hou je ze daar. Op 5 geeft men met de hand een schokje naar boven, op 6 naar beneden, op 7 terug naar boven, om dan op 8 de armen volledig naar beneden in de beginpositie terug te brengen.
Dat is niet al te moelijk, en het is dan ook deze versie die men in een crash course krijgt aangeleerd. De versie voor de puristen is ietsje moeilijker, en er zijn ook wat verschillen van streek tot streek.
Voor het voetenwerk ligt het grootste verschil op de laatste twee tijden. In de ene versie plaatst men op 7 de rechtervoet ietsje naar rechts en tilt men de linkervoet op. Op 8 tilt men bij het begin van de tijd ook de rechterhiel op, om die op het einde van die tijd terug neer te zetten. Ondertussen brengt men de linkervoet in de lucht voor de rechter enkel. In een andere versie laat men op 7 de rechtervoet staan, maar is de rest hetzelfde. Dat is absoluut niet gemakkelijk, zeker niet in combinatie met de armbewegingen, want die zijn dus ook iets complexer dan bij de toeristenversie. Tot en met 4 zijn ze hetzelfde behalve dat je op dat moment een kleine draaibeweging met de hand naar achter maakt. Tijdens 5 en 6 maak je met de handen nog steeds op schouderhoogte een klein cirkeltje naar voor. Op 7 ook nog een halve, om ze dan op 8 naar beneden te brengen. Er is een versie waarbij ook op 6 de handen naar beneden gaan, om op 7 terug naar boven te komen.
Om on-line te oefenen hebben we voor jullie eerst het zeer rustige Harz Tizh van Kroazhent geselecteerd. Dan kan je aan de slag met het in een correct tempo gespeelde La belle et le rossignol van Alerions, althans na een korte instrumentale intro die ook in het midden terugkomt en waarbij de fluitspeler het normale ritme van de laridé op een irritante manier doorkruist. En tenslotte het (veel te) vlugge Laridé (tout court) van de Tsjechische groep Bran.