Of het Tsjechische label
Indies Records het motto “
we brengen enkel muziek uit waar we van houden” daadwerkelijk in praktijk omzet, daar hebben we het raden naar. Maar dat het bedrijfje erin geslaagd is om mij voor de tweede maal dat ik met één hunner producten in contact kom te bekoren, staat als een paal boven water. Vorig jaar was er
Rua van Dún an doras dat meer dan onze goedkeuring weg droeg, en nu is er
Disk O’Brass van
Dick O’Brass. De groep werd in 2001 opgericht door enkele leden van de ter ziele gegane Ierse en Bretoense folk-rock groep
Bran uit Praag, waaronder de violiste
Ludmila Chábová, die er twee jaar later evenwel reeds de brui aan gaf. Momenteel wordt Dick O’Brass gevormd door een zestal veertigers bestaande uit
Tomáš Nedělka (zang, bombarde, Schotse doedelzak, en fluit),
Radim Kadlčák (gitaar en zang),
Jiří Hausser Matoušek (basgitaar en zang),
Josef Kůstka (viool, electrische gitaar en zang),
Seán Barry (Ierse harp) en
Aleš Zimolka (percussie),
Misschien is de woordspeling in de titel van hun CD wat aan de flauwe kant, hun muziek is dat geenszins. Integendeel, het gezelschap beukt er stevig, doch met uiterst veel smaak, op los. Ze doen dat grotendeels in navolging van bands zoals
Manau,
Ar Sonerien Du, en
Stivell eind de jaren zeventig. Bandleider Tomáš geeft toe dat dit een bewuste keuze is: “
met klassieke instrumenten en traditionele arrangementen zouden we bij de jeugd niet aan de bak komen” (waar hebben we dat nog gehoord ?), zo zegt hij, maar “
als je de teneur van de oorspronkelijke muziek behoudt, en bepaalde regels van de traditionele muziek respecteert, dan is de respons vanwege een breed publiek positief” (en dit zouden we graag meer horen.). We moeten het hem nageven: de arrangementen zijn inderdaad met het nodige respect voor de traditionele waarden ingevuld. En zo hebben we het graag.
De CD biedt een mooie mix van instrumentale nummers en songs. Dansmuziek, behoudens enkele verdwaalde andro’s en een pseudo-reel, is er evenwel niet op te vinden. Maar dat was ook niet de bedoeling. Leuk is het feit dat er voor de songs uit een polyglot vaatje wordt getapt. Jammer genoeg is enkel het Engels behoorlijk verstaanbaar. Voor Tsjechisch en Bretoens moeten we vanzelfsprekend passen. Frans beheersen we zelf meer dan behoorlijk, maar dat geldt niet voor Dick O’Brass. Het is pas toen we het nummer ‘Lorient’ een tiental maal gehoord hadden dat onze Franse frank viel/ Maar goed, ze hebben hun best gedaan.
Wie houdt van Bretoense folk-rock zal zich de aankoop van Disk O’Brass zeker niet beklagen.
Track listing
1. Vikingové (
luister naar het einde, 02:12). Een stevig vikingslied in driekwartsmaat (waar de niet-hokjesdenkende Boomballer ongetwijfeld, maar desalnietemin potsierlijk, “een wals kan op dansen”) uitgevoerd in duet. Meteen typisch voor de hele schijf: stevig maar toch sober drumwerk, en een bombarde die, spijtig genoeg met iets teveel staccato (in schril contrast met bijvoorbeeld het vloeiende spel van
Youenn le Bihan), de toon aangeeft. Een mooie opener van de hand van Radim Kadlčák.
2. Lorient (04:52). Een korte drum-solo leidt een Bretoens geïnspireerde melodie in die gecomponeerd werd door Tomáš Nedělka. Het nummer wordt gevolgd door het zeemanslied “A Lorient ils sont arrivés” (
luister) in een werkelijk schitterende uitvoering.
3. Sně?ná slepota (02:48). Opnieuw een song in het Tsjechisch. Waarover hebben we het raden. De instrumentale afsluiter met bombarde, viool en drum is meesterlijk.
4. Valdštejn (04:31) Een lichtjes psychedelische compositie van Matoušek waarin tussen de zangstukken (
luister) viool en flutes de boventoon voeren.
5. Tune for a Raggy Boy (03:18). Een reel-achtige compositie van Tomáš Nedělka, aanvankelijk uitgevoerd op tin whistle en viool en nadien begeleid door drum en basgitaar, wordt afgewisseld met een Ierse traditional.
6. Skotská (03:08) Een Schotse slow air dient als intro en afsluiter voor een nogal rauwe song (
luister). Waarover? Dat mag opnieuw Joost weten. Wie veel geduld heeft kan
hier het volledige nummer downloaden.
7. 39 minut (04:55) Enkele Ierse en Bretoense traditionele melodieën worden gemengd met het door Alan Stivell de eeuwigheid ingezongen
Tha Mi Sgith. Wie moeite heeft om de gezongen tekst te volgen, kan zich behelpen met deze
uitgetypte lyrics. Dit nummer is voor mij één van de hoogtepunten van deze CD. Waar de titel op slaat is mij anderzijds niet duidelijk.
8. Jolly Bold Robber (03:49,
lyrics). Een traditionele Engelse song over een rover die het aandurft een jonge matroos te belagen, en het zich nadien mag beklagen.
9. Little Bone Reel (03:51). Als er iets is wat folk-rock groepen niet behoorlijk kunnen spelen, dan zijn het wel reels. Dick O’Brass is daarop geen uitzondering. Reels hebben ondanks hun up-tempo karakter een subtiliteit in hun kadans die rockers blijkbaar ontgaat. Wat niet wegneemt dat ze er toch een best pruimbaar nummer van gemaakt hebben. Maar een reel, neen, dat is toch iets anders.
10. Gabreta (02:34). Opnieuw een song gecomponeerd door Tomáš Nedělka, in een uitvoering die nu eens melancholisch, dan weer heel assertief overkomt.
11. Son ar Chistr (04:16). Een tweede Stivell klassieker die destijds door de Nederlandse groep
Bots tot de meezinger “
Wat zullen we drinken” werd hervormd. We zongen dat toendertijd mee uit volle borst, tot we door hadden dat Bots met dat en andere nummers propaganda voerde voor de Sossen. Voor de leute ende de vergelijkende studie, hierbij de
versie van Bots,
Stivell en
Dick O’Brass.