MARILIS ORIONAA – DAMN (ARMUGALH, DARENLÁ) 2006 – 47:02
Marilis Orionaa, zelf geboren in Balansun, een dorp tussen Orthez en Pau, en daar na omzwervingen in Guinea en Griekenland teruggekeerd, voert ons mee naar de Béarn, een regio in het uiterste zuidwesten van de Pyreneeën, ‘lo pais de las cantas’, pas sinds de 17de eeuw deel van Frankrijk.
Zij zingt in de rijkversierde stijl vande streek, zwanger van de arabesken en de ‘florituras’, met een perfecte beheersing van de béarnaise taal, tot op vandaag nog steeds de voertaal. Deze dichterlijke vagebonde zingt met een ruwe vibratostem en ze evoceert de zangstijl die de herders eeuwenlang benutten om hun vee te roepen en met elkaar van te communiceren. Hierbij dient ze zich te positioneren tegenover twee bewegingen, de militante ‘nationalistische’ beweging die haar volledig onder haar vleugels wil krijgen in een (verloren strijd naar autonomie) en de ‘francofonen’, die haar verwijten een dode boerentaal te verheerlijken. Voor haar is het de rijkdom van die bijna verdwenen taal die haar fascineert, het is het occitaans dat binnen in haar zingt.
Ze stopte haar carrière als docente in de letteren in 1994. Tot dan gaf ze les in het occitaans in enkele lyceums in de buurt van de Atlantische Pyreneeën. Ze legde zich sindsdien helemaal toe op haar passie voor zang en poëzie, en werd hierin geïnspireerd door Rosina de Pèira, een andere fantastische stem uit de Ariège.
Een eerste bescheiden album ‘BALANSUN’ verscheen in 1992. Vervolgens was er de eerste volwaardige schijf ‘ ÇA-I !’ (‘KOM !’, 1996) die meteen bekroond werd door l’Académie Charles-Cros. Toen was haar samenwerking reeds tot stand gekomen met haar huidige basismuzikanten, gitarist Olivier Kléber-Lavigne en perkussionist Nicolas Martin-Sagarra.
Volgden ‘FEMELIS’ (2001, ffff Évenement Télérama), een tweede luik van haar geplande trilogie, opgedragen aan de vrouwen die haar omringen en ‘PR’AMOR’ (2002), een eerbetoon aan Oum Kalsoum.
In 2006 verscheen haar recentste album ‘DAMN’, (‘VERDOEMENIS’, Album de l’année 2007, Vie d’artiste France Bleu Cascogne) het afsluitend deel van haar trilogie. Deze drie cd’s kennen dezelfde inspiratiebronnen. Ze schrijft haar liederen zelf in het land van Fébus, en meestal in het occitaans, 'car l’occitan chante en moi'. Ze verhaalt hierbij ervaringen uit haar leven, gebeurtenissen die haar overkwamen, ontmoetingen die ze had,…. Een enkele keer stapt ze over naar het Frans en ook al eens naar het Grieks,… een deel van haar jeugd bracht ze immers door in Delphi.
Haar werk omvat telkens ook een mengeling van genres, gaande van gedicht naar chanson, (over het vertelmoment heen) en van onuitputtelijke stemregisters, van zacht murmelen tot schreeuwen. Hiermee schetst ze ondermeer een portret van zichzelf en het ongewone parcours dat ze tot nu toe bewandelde. De titel verwijst overigens naar de initialen van haar officiële naam op het geboorteregister Dominique Anne-Marie Nario, ‘DAMN’ in het Gasçons. Hieraan ontleent deze trobairitz zelf de op haar toepasselijke, niet van enige ironie gespeende, betekenissen van ongelijk, onrecht, straf, kastijding en verdoemenis,… Ze is nu eenmaal een wat rebelse, duivelse dichteres.
Haar recentste album opent met ‘La presonèra’ De gevangen vrouw’) een rauw gedicht, zonder begeleiding voorgedragen, vormt een allegorie op het bestaan van de béarnaise zangeres, en doet je kippevel krijgen wanneer je er de vertaling bijneemt. Soelaas wordt onmiddellijk gebracht de inleidende gitaarakkoorden van ‘Nau Ans’ (‘Negen jaar’), een verhaal van de absolute liefde, die een eindeloos geduld in zich draagt. Een lied dat vrij beschouwend gedecideerd start, maar halfweg een helse tempowisseling ondergaat wanneer, de wanhopige bereidheid uitgedrukt wordt desnoods bereid te zijn honderd jaar te wachten op… “tu !”. Verwijzend naar haar vorig album brengt ze vervolgens ‘Pr’amor’ (‘Omdat’), waarin in achttien coupletten de eenvoudige vreugden van het dagelijks leven bezongen worden, en poogt ze een antwoord te bieden op de steeds terugkerende vraag waarom ze in het occitaans zingt. Dit lied droeg ze op aan de eerder genoemde Rosina de Péira, die ze de occitaanse Oum Kalsoum noemt. ‘Le Marmoré’, de naam van één van de bergtoppen die de Cirque de Gavarnie omgeven, en meteen een aangewezen titel om aan te heffen en af te ronden met de typische Béarnaise roeptechniek waarmee contact gelegd wordt in de bergen, vormt een bescheiden, in het Frans gezongen gedicht, ter nagedachtenis aan een verdwenen broer. Ongekende warmte wordt uitgestraald uit een van de vele prachtige oude huizen, meesterwerkjes van landelijke architectuur, die momenteel staan te verkommeren omdat niemand er zich nog voor interesseert, ‘Casa Caseta’ (‘Het huis’). Tijd om terug te keren naar Griekenland en het stukje jeugd dat ze daar achterliet in ‘Aspra Spitia’, een klein dorpje aan de rand van de golf van Corinthe, waarvan ze de banale kinderlijke herinneringen, heroproept om ze in een Grieks gedicht te laten schitteren. In ‘Ugarte’ poogt ze een muzikale herinterpretatie te geven van het werk van de obscure Baskische schilder Ugarte, die ze reeds jaren bewondert. Met ‘A la vila de Pau’ (‘In Pau’) treffen we een herwerking van een nummer dat reeds op ‘ÇA-I !’ te vinden was. Dit lied gaat misschien wel het sterkst terug op de traditionele volksmelodieën uit te streek, mijmerend in de zonnige stadstuin van Pau. Een vrij onchristelijk gebed, ze is nu eenmaal ook rebels, wordt ons geserveerd in ‘Sent Jan’ (‘Heilige Jean-Baptiste’), die ze aanroept om de streek zuiver te houden en desnoods te zuiveren van de toeristen die haar (de natuur, de zangeres zelf ?) lastig zouden kunnen vallen, desnoods door er in de waanzin het vuur in te steken. Eén nummer werd in live opgenomen in Oloron Sainte-Marie. ‘Un tojar’ (‘Een veld steekbremmen’) laat ons kennis maken met de beklijvende vertelster in Marilis, die in de grote tradities van de plaatselijke vertellers een verhaal brengt dat gezien het herhaaldelijk stiekum gelach van de toehoorders, behoorlijk wat aangebrande humor verbergt. Na dit intermezzo sluit ze af met het vrijmoedige ‘Ma maman est une chanteuse’, een vrolijk swingende in het Frans gezongen lied waarin ze de allermooiste moeders, en dat zijn deze die alle muziek, het chanson, de pop, de operette, de opéra-comique,… liefhebben (terwijl ze met hun dagdagelijkse beslommeringen bezig zijn) tussen de geurigste bloemen plaatst.
Haar muzikanten brengen ondertussen hun eigen verhaal, met eigenzinnige gitaarpartijen, soms in heel mooie solomomenten, of dan weer vrij doorheen de zanglijn golvend en een perkussiemeester die met een heel arsenaal aan tamboerijnen, trommen, rinkelbelletjes,… nu eens heel subtiel, dan weer heel overtuigend zijn plaats te kennen heeft in steile crescendo’s. Toch blijft de instrumentatie ten dienste staan van de stem, de stem ten dienste van de taal, en de taal ten dienste van de poëzie. Meestal wordt er vertrokken vanuit een melodie en enkele woorden, waar dan via improvisatie op voortgeborduurd wordt en de woorden hun definitieve plaats toegewezen krijgen.
Dit ensemble aan het werk kunnen zien is op zich een reden om naar ‘Dranouter Aan Zee’ te trekken.
Bezetting :
Marilis Orionaa: zang
Olivier Kléber-Lavigne: gitaar
Nicolas Martin-Sagarra: perkussie
Meer info :
www.marilisorionaa.com
Klik hier om deze cd te bestellen in Den Appel. Hij wordt je dan gewoon opgestuurd, samen met een overschrijvingsformulier.