Home
> woord/beeld > Interview
> MARILIS ORIONAA ? TROBAIRITZ DE BALANSUN
MARILIS ORIONAA ? TROBAIRITZ DE BALANSUN
Net na het, door technische mankementen verstoorde optreden op Dranouter aan Zee (op zondag 27/04/08) vonden we Aqueste Cop aan de gesprekstafel.....(Interview)
Onder de naam Aqueste Cop (‘Ditmaal’) bracht het duo Marilis Orionaa en Jean-LucMongaugé (gitaar, trekzak, snarentrom met eenhandsfluit, zang) een poëtische ode aan het Béarnais. In de babbel achteraf bleek dat achter het temperamentvolle stemgeluid, en de muzikaliteit van de klankenpracht, heel wat bitterheid schuilt. Het werd een bij momenten heel scherp, soms ook persoonlijk verhaal van een frêle beschermster van een taal, waarin de taaldocente van vóór ’94 nog niet dood is,... maar zich op de barricaden zet met een ‘ça suffit !’. Uit respect voor Marilis, en na enkele dagen later getoetst te hebben of alles wat gezegd werd ook gepubliceerd kan worden, besloot ik het interview zo goed als integraal weer te geven. Een boeiende oefening voor wie zich wil bezinnen over de zinvolheid van het in een ideologisch en/of politiek vakje duwen van de traditionele muziek,… zoals daar ook de Vlaamse muziek.
Wanneer begon het bij je te kriebelen om te gaan zingen ? In 1990 had ik mijn eerste optreden. Rosina de Pèira inviteerde me en ik zong er een vijftal liederen, met mijn broer René, ik begon teksten te schrijven, die we samen zongen, geen traditionele liederen dus. Mijn broer had Rosina de Pèire persoonlijk ontmoet, ik kende haar toen enkel als zangeres ontmoet en we werden toen uitgenodigd bij haar voor ons eerste concert. Ze had in die tijd reeds een tiental jaar een herberg, een soort ‘chambres d’hotes’, waar ze allerlei artiesten uitnodigde en optredens organiseerde. Zij was dus de eerste die me op het podium zette.
En het hele prille begin ? Ik ben beginnen zingen tijdens mijn adolescentie toen ik in de Ariège in het lyceum zat, zong ik graag wel eens traditionele liederen en werd ik meegezogen door de folkgolf van de jaren zeventig. Daarnaast werd mijn vader Occitanist, en zo ontmoetten we heel wat mensen uit dat milieu, en ik ging me interesseren voor de tradtionele zangstijlen van de Béarn en de Pyreneeën.
Maar met nieuwe teksten ? Inderdaad, want traditionele liederen zingen deed Rosina reeds, en ze doet dit op een onevenaarbaar niveau, men kan het niet beter doen dan zij doet, denk ik. Ik had zin om persoonlijke thema’s neer te schrijven in het Béarnais. Tegelijk wou ik andere liederen brengen dan vanuit de militante teksten van de Occitaanse beweging (die de autonomie van het taalgebied nastreeft nvdr.). Want mijn vader was een heel harde militante nationalist en ik hield daar niet van. Ik heb dan ook heel vaak gerevolteerd tegen mijn vader, maar nooit tegen de taal. Dat conflict met mijn vader leeft nog steeds, maar ik heb altijd geprobeerd mensen de ontmoeten die de taal van nature, instinctief, spreken en zingen. En ik wou ook schrijven over dingen die niet militant waren omwille van die enggeestigheid, het ging me altijd al tegen om te zien hoe ze karikaturaal de taal misbruikten voor slogans en propaganda. Ik heb me altijd afgezet tegen propaganda.
Je teksten handelen vaak over je jeugd ? Mijn jeugd,… ah bon, ze gaan vooral over het leven van elke dag. Mijn poëzie handelt niet zozeer over wat er plaatsvond in mijn jeugd, maar verwoordt een manier van zijn, een manier van kijken naar de dingen. Men moet een beetje naïef zijn om poëzie te schrijven in het Béarnais in de 21ste eeuw.
Waarom naïef ? Ik wil zeggen om te schrijven op een ietwat gratuite, gedesinteresseerde manier, een beetje spelend met de woorden, zonder boodschap, zonder slogans, zonder propaganda, politiek, ideologie moet je een beetje naïef zijn, een beetje kind blijven.
Maar dit houdt toch een boodschap in,… als we allemaal de taal gebruiken vanuit de onschuld van het kind zullen er veel minder conflicten zijn. Goed, maar dit is geen boodschap die probeert te manipuleren. Ze dient om te communiceren dat er andere zaken zijn dan geweld, smeerlapperij, valsheid…
Waarom (dan toch) zingen in het Béarnais ? Voor mij is het de taal van de poëzie. Ik schrijf ook in het Frans, maar het Béarnais leent zich perfect tot poëzie omdat ze oraal overgedragen werd, er is heel weinig geschreven in die taal. Deze gesproken taal is gewoon schitterend, doorheen de eeuwen herwerkt en verrijkt en overgedragen door dorpelingen die vaak nooit naar school geweest zijn. De grammatica (en de grammatica vormt de structuur van de taal), is heel wat gesofisticeerder en ingewikkelder dan het hedendaagse gesproken Frans, zelfs dan dat van de Franse cultuurzenders. In het Frans hanteert men tegenwoordig bijvoorbeeld niet langer het onderscheid tussen de ‘passé simple’ en de ‘passé composé’, terwijl in het Béarnais onderhoudt men nog steeds ‘la concordance des temps’. Het is een taal waaraan eeuwenlang gewerkt, gesmeed is door de boeren, en dit levert een prachtige, rijke taal op grammaticaal, muzikaal, en poëtisch vlak. Door de orale overdracht is het een heel beeldrijke taal. Als iemand spreekt is het pure cinema, een voortdurende stroom van beelden, die betrekking hebben op de natuur, het gewone leven. Tegenover het hedendaagse gesproken Frans is er iets heel passionerend aan. Hij schrijf dus wel artikels in het Frans, maar voor de poëzie verkies ik het Béarnais.
Ook in Laruns spreekt men nog het Béarnais ? (gericht aan Jean-Luc Mongaugé). Ja, het is mijn moedertaal.
En het Béarnais is een variant van het Gascon, dat op zijn beurt onder de Occitaanse talen valt, maar heel anders klinkt dan het Occitaans uit de Piemonte bijvoorbeeld ? Inderdaad, heel verschillend, het zijn twee werelden, we verstaan elkaar niet.
Ook sterk verschillend van het Catalaans ? (Jean-Luc) Ja, het Gascon is een totaal andere, eigen taal. Eigenlijk beschouwen we ze niet als een Occitaanse taal. Als ik met mensen uit andere regio’s in het zuiden in contact kom, begrijp ik ze wel, maar zij begrijpen ons niet. Dus als we heftiger met elkaar aan het praten slaan, gaan we over op het Frans, om misverstanden te voorkomen. (Marilis) En dat heeft vooral met onze grammatica te maken die heel complex is,… en dat is geen chauvenisme.
Je had het daarnet al over Rosina de Pèira ? Wat betekent zij voor jou ? Voor mij is het de grootste hedendaagse Occitaanse zangeres, ze woont op de grens van Gascogne en de Languedoc. Ze begon te zingen in de jaren zeventig, traditionele liederen, maar wel uit alle uithoeken van Occitanië, een buitengewone zangeres, de mooiste vrouwenstem die ik ken. Ze kan een beetje als mijn meesteres beschouwd worden. Ik heb haar ondertussen vaak beluisterd en ontmoet. Het is een heel instinktieve zangeres, die nooit zangles gevolgd heeft, maar heeft leren zingen door te zingen. En als we dan terugkomen op het probleem dat we hebben met het militante Occitanisme. De militanten hebben altijd beloofd aan elk van de taalvarianten dat iedereen zijn eigen taal zou mogen behouden, maar wat er ondertussen aan het gebeuren is, is dat de militante nationalisten één enkele gemeenschapstaal willen opdringen in heel het gebied. Wij, die het Béarnais verdedigen worden beschouwd als dissidenten, we worden dan ook niet geholpen, eerder geboycot, wat heel triest is. (Jean-Luc vult aan) Wij praten onze natuurlijke moedertaal, terwijl zij als zogenaamde specialisten menen een eenheidsworst aan te bieden.
Is dat militantisme dan nog zo actueel ? Ja en het is heel agressief. We worden beschouwd als oenen, reactionairen, op de limiet van het fascisme, wat we heel sterk betreuren. Wij vinden het belangrijk dat de mozaiek aan taalverschillen blijft bestaan, dat is boeiend. Zij willen één taal, vervolgens een grens en tenslotte het geld van het toerisme in beheer nemen. Wij worden een beetje als paria’s behandeld. We worden zelfs geweerd op bepaalde radio- en lokale tv-zenders .. Het is een gemaskeerde censuur geworden. Vandaar dat we, en dan spreek ik namens Jean-Luc en mezelf een Béarnaise beweging opgericht hebben om hiertegen te reageren, genaamd ‘ça suffit !’. Wij doen niet mee aan het opgedrongen Occitanisme. Heel wat mensen beginnen er echt genoeg van te krijgen.
In je werk verwijs je ook naar Oum Kalsoum ? Ook zij betekent iets voor jou ? Eigenlijk heb ik Rosina de Pèira in een artikel de bijnaam gegeven de Occitaanse ‘Oum Kalsoum’ te zijn. De grootste Arabische dichters schreven voor Oum Kalsoen en Rosina, zij is ondertussen ook al ongeveer 75 jaar geworden, heeft net als Oum Kalsoem altijd een ongelooflijke stem gehad, ze zingt ook nu nog heel mooi. Ze zingt op haar beurt traditionele teksten van anonieme dichters, maar ze doet dat op zo’n bedreven manier. Ook al zijn die liederen door heel wat mensen nog uit het hoofd gekend, zijn de woorden al zo vaak gebruikt en gezongen, slaagt ze er steeds in het publiek toch nog te verrassen en emotioneren. Beiden zingen als nachtegalen.
Er ligt 15 jaar tussen ‘Balansun’ en ‘Damn’. Wat is er veranderd in die tijd ? We zijn een beetje verouderd.
Ook hier prijkt er een koe op de folder, zoals toen de koe uit de Béarnais de folders sierde ? (Jean-Luc) Maar deze heeft geen horens. Mijn stem is geëvolueerd, in het begin terroriseerde ze me , ik was bang om op een podium te staan, ik was heel timide en dit is nu wel over. En voor de rest… Kijk, mijn vader, die heel hard, gewelddadig was, een tiran,… toen ik 9 jaar was werd hij Occitaans militant, en van de ene dag op de andere verbood hij me nog Frans te spreken, aan mij en mijn broers. Sindsdien heb ik vooral vermeden om te praten met mijn vader. En mijn moeder was te fragiel om zich hiertegen te verzetten. Ik heb sindsdien verschillende dichters en zangers ontmoet van de leeftijd van mijn vader of iets ouder, die een beetje spirituele vaders voor mij geworden zijn, die me geholpen hebben. Mijn twee broers bijvoorbeeld, die zijn vertrokken, ver weg. Mijn oudste broer is ondertussen overleden. Maar ik ben altijd verbonden gebleven met de taal. Wat er verder veranderd is, is dan ook dat ik verplicht geweest ben te vertrekken uit de Béarn, toen ik begon te zingen. De Occitaanse militanten hielden alle touwtjes in handen, ze wilden militante nummers van mij, ze wilden niet wat ik deed, mijn manier van schrijven zinde hen niet. Ik moest voor hen de mensen overtuigen, ik moest hun vertegenwoordigster, woordvoerster zijn, meestal voor een publiek die de taal niet begreep. Toen mijn demo uitkwam, heb ik die naar Folkroots gestuurd, kwam ik in contact met Patrick Ghyselinck (toen programmaverantwoordelijke voor het Folkfestival Dranouter, nvdr.) en begon ik zowat rond te trekken. Ik zong dan ook steeds meer voor anderstalig publiek, die het Béarnais niet begrepen, waardoor ik meer moest gaan doen met mijn stem. Heel intimistische, zachte nummers, ook al hebben ze heel mooie teksten, doen het niet op buitenlandse festivals.Zo trok ik stilaan rond met enkele muzikanten op verschillende festivals. Op dat moment was ik afgesneden van mijn gemeenschap, doordat ik niet voor hun (zaak) zong. Later ben ik teruggegaan om terug voor het eigen publiek te zingen. Zo heb ik Jean-Luc ontmoet en gemerkt dat we dezelfde analyse maakten. Hij is wel altijd lokaal blijven zingen. Ondertussen is men een stuk milder geworden en worden we vrij vaak gevraagd. Maar ik spreek dan over de gewone mensen, die houden van hun taal.
Wat is je missie, het vermijden van elke politiek ? Eigenlijk niet, alles is uiteindelijk politiek. Ik stel me op tegen het Occitanisme omwille van het totalitaire karkater, ‘ça suffit !’ is hier mijn antwoord op. Het pijnlijke is dat de ouderen onder ons op een bepaald moment op school het Béarnais moesten laten plaatsruimen voor het Frans, die het Béarnais als een ‘patois’ beschouwden en hen vernederden. Ze praatten evenwel verder hun streektaal op straat, in het gezin. Dan kwamen de Occitanisten en die stelden op hun beurt dat hun taal maar niets is. Dus hen overkwam twee maal in hun leven dat hun taal eigenlijk maar als ‘merde’ beschouwd wordt, en dat is heel pijnlijk en gewelddadig. Vandaar dat ik stel dat het Béarnais.een magnifieke taal is, terwijl het Occitaans, zoals sommigen het willen opdringen artificieel is, en eigenlijk een ‘patois’ van het Frans, naar grammatica, woordenschat,…
Welke muzikale droom heb je nog ? In Foix gaan we eind mei met het duo Aqueste Cop (dus Jean-Luc en mezelf), een chromatisch accordeonist, en mijn eigen muzikanten Olivier en Nicolas optreden. Mijn droom is verder te zingen met Jean-Luc in kleine lokaties en waar het kan onze andere muzikanten eromheen. Als duo brengen we vooral heel intieme nummers ballades, berceuses,… het meer fragiele werk. Ook hier halen we inspiratie uit de traditie, maar met eigentijdse teksten.
Jean-Luc, jij speelt ook in de groep Estar. Kun je daar iets meer over vertellen ? De meeste van onze nummers zijn gecomponeerd, geen traditie. Er zit op onze recentste album wel een polyfonie met drie stemmen, dat is nog traditie. Daarnaast schrijf ik de meeste stukken zelf, ik hou mij aan onze taal, en zoek verder aangepaste melodieën en arrangementen te zetten op de teksten die ik schrijf. Net zoals bij Aqueste Cop. Uiteraard ben ik sterk door de traditie beïnvloed. Ik speelde als kind reeds diatonisch accordeon.Ik wil me niet vastzetten in een traditie. Het belangrijkste is het zingen in onze moedertaal, die van mijn voorouders. Er zitten ook dansbare nummers in zoals ‘Jean lo pèc’ een cumbia-melodie heeft qua ritmes en thema’s Latijns-Amerikaanse invloeden. Bij ons gaat het erom het publiek in een atmosfeer te brengen, wat op reis te laten gaan, in de wereld van de ritmes de melodieën. Er zit ook wel een bransle in ons repertoire, maar we zijn zeker geen typische balfolkgroep.