GATTAMOLESTA – Czeleste (FELMAY, MUSIC & WORDS, fy 8159) 2009 – 59:49
GATTAMOLESTA roept bij mij onwillekeurig herinneringen op aan de urban folkgeluiden die de groep MAU MAU in de jaren ’90 tot in onze gewesten bracht. Na hun ‘PESCI, I PANI E GLI ESEMPLARI’ en ‘ALLE FESTA DEL BRIGANTE’ bewijzen ze met hun derde eens te meer dat er ook atypische, ongewone en soms wat bizarre folkvoortbrengselen uit het Italiaanse mandje getoverd worden. Weer mag blijken dat de paring van Italiaanse folk met hedendaagse (rap, ska en punk,…) en wereldmuziekgenres (gypsie, klezmer, Balkan,…) tot mooie bastaardjes kan leiden.
De groepsleden komen uit Forli, waar ze in 2006 hun eerste stappen zetten. Ze smeten hun muziek onmiddellijk op straat, direct contact zoekend met het publiek, liever dan zich te laten verdorren in opnamestudios. Hun toehoorders beschouwen ze als de ultieme waardemeter voor de sterkte van een bepaald nummer, of ze nu op een bescheiden dorpsplein spelen, een festival uit de voegen doen barsten in Barcelona of zich op de jazzscene gooien. Ze bouwden ondertussen gretig aan een reputatie van genereuze en overweldigende podiumpresence.
Leider en oprichter van de band is zanger en gitarist Andrea Gatta, die elk publiek zonder veel maneuvers weet in te pakken. Het kwartet wordt verder bezet door Nicolò Fiori (contrabas), Jader Nonni (drums) en Luigi Flocco (accordeon). Net als tijdens optredens laten ze zich op deze cd graag begeleiden door een schare vrienden en gasten, waaronder Eusebio Martinelli (trompet), Aleksandar Rajkovic (eufonium, ook spelend bij het GORAN BREGOVIC ORKESTAR) en Fabrizion ‘Biccio’ Benevelli (saxofoons en klarinetten). Samen brengen ze pulserende muziek, getuige de titels, allemaal eigen nummers van Gatta, op de twee bonustracks na. In hun arrangementen verbergen ze op geen enkele wijze dat ze heel veel affiniteit voelen voor de rijkdom van de Balkanmuziek. Bregovic, Kusturica en Gogol Bordello zijn dan ook nooit veraf, en de meeste nummers dragen dan ook een aroma van de zigeunermuziek in zich. Al hun teksten worden in het Italiaans gebracht, en vormen een ernstige poging om te ontkomen aan de clichés die aan de Italiaanse songwriting verbonden zijn. Dit doen ze door hun verzen een surreële, soms wat ironische invulling te verlenen, vaak met een pathetische gevoelstoets. En zo passeren ze Tom Waits om aan te belanden bij Vinicio Capossela. Vooraf merken we nog op dat er binnen deze bezetting geen ruimte is voor samples en andersoortige electronische tovertruckjes, maar putten ze alle energie uit de (versterkte) akoestiek.
We vliegen er meteen in met het jagende ‘Il ragno wakka’ (wat vrij vertaald zou kunnen verwijzen naar de spin in het Pacmanspelletje), waarbij vooral de kopers de onvoorspelbare bewegingen van deze rover ten gehore brengen. Een stevige drumbeat, vlot achternagezeten door de schelle blazers zet de hoofdletter van de muzikale handtekening van de groep in de naar henzelf genoemde trek, waarna gitaar en harmonica het voortouw nemen bij de zanglijn waarin het behoorlijk crescendo gaat. Rauwheid en uiteraard ook weer behoorlijke uptempo troef in het van enkele ironische kazoulijntjes voorziene ‘La zia Eva’ de kleine geheimpjes van de familie Eva uit de doeken gedaan. Inzettend met een motief dat sterk verwijst naar het ‘Pink Panther’- thema krijgen we vervolgens een burleske achtervolgingsscene voorgeschoteld in ‘Bota Giuda Criminale’ (‘Bloody bastaardcrimineel’), waarbij de harmonica van Luigi Flocco voor enkele extra humoristische uitvallen zorgt, eindigend in een doltrieste apotheose, in Bregoviciaanse begrafenisstijl. In dezelfde sfeer, maar dan een stuk plechtstatiger, opent ‘Papete reel 2007’, heel geaffecteerd ingezongen met accordeonbegeleiding, althans in de beginstrofe, waarna het tempo snel opgedreven wordt onder schreeuwende koperhalen, samenzangpassages en een stevige ritmische sectie. Wat even lijkt in te zetten als een eigentijdse ballade ‘Tristano da Marotta’ krijgt reeds snel een scheut ongezouten rap over zich heen. In dit nummer komt ook de accordeonist andermaal heel sterk en verrassend uit de hoek met enkele interessante solerende passages. Even proeven van zuivere gitaar-gypsiesferen lukt ons voortreffelijk in ‘Kadisha’, met vooral harmonica en klarinet in fijne bijrollen, hoewel de aandachtige lezer reeds zal begrepen hebben dat ook hier na verloop van tijd enigszins buiten de lijntjes gekleurd wordt. Ook het melancholische ‘Estasiatica’ vormt één van die nummers die langzaam opgestart worden, waarbij het trage liedje niet blijft duren. Hetzelfde kan niet gezegd worden van ‘Tapan pan’. Hier gaat het immers onmiddellijk op topsnelheid, in een turbulente afwisseling van solo- en samenzangpassages. Koperblazers voorop in het enige volledig instrumentale nummer, ‘Polka punk’, waarvan de titel voor zich spreekt. Paardebelletjes en een doffe beat luiden de ‘officiële’ laatste track in, het enige constant trage, intrieste nummer, de stedelijke ballade ‘La ballata predata’, evenwel uitmondend in een overdonderende apotheose in tutti, met beklijvende koorzang. Op de twee bonusnummers ‘You spin me round’, een in het Engels gezongen, maar van een stevige Balkanlaag voorziene, cover van Burns, Percy, Coy & Lever en de wervelende instrumentale traditional ‘Odeska Bulgarish’ genieten we meteen mee van de virtuoziteit op eufonium van gast Aleksandar Rajkovic, tot de hond erbij gaat janken.
Laat ons besluiten dat we hier met een uitgelezen festivalband te maken hebben, die zonder complexen en zonder al te zware boodschappen (hoewel onze talenkennis misschien wel net tekortschiet om dit objectief te beoordelen, en moeten we spijtig genoeg vertalingen uit het Italiaans missen in het booklet), elke tent weet op zijn kop te zetten. Schitterend repertoire om je in uit te leven dus, waarin elk nummer bulkt van tempo- en ritmewisselingen, verrassende en gevarieerde instrumentale solo’s en arrangementen,… Bravoure, humor en spontaan speelplezier kenmerken de band. Vraag is enkel hoe ze het er zonder de gasten (zonder het arsenaal blazers dus) van afbrengen. Deze nemen immers een heel prominente plaats in binnen de instrumentale arrangementen, en ze vormen ook een noodzaak in het stijlrepertoire waarvoor gekozen wordt. In elk geval bewijst deze groep dat er zeker nog nieuws te rapen valt uit het land der Etrusken. Een sterke aanrader voor folkies met…
De groepsleden :
Andrea Gatta : zang, gitaar, kazou
Luigi Flocco : harmonica, piano
Jader Nonni : drums, percussie
Nicolo’ Fiori : contrabas
Gasten :
Eusebio Martinelli : trompet, bugel, bastuba, eufonium
Fabrizio ‘Biccio’ Benevelli : saxofoons, klarinetten
Aleksandar Rajkovic : eufonium (op bonustracks ‘You spin me round’ en ‘Odeska Bulgarish’)
Meer informatie :
WWW.FELMAY.IT
Tekst: Sefafolk