OVER SUNDET (GO’Danish Folk Music, GO0509) 2009 – 42:30
Op hun eerste album brengt het Deense folkkwartet OVER SUNDET (drie dames en een heer) materiaal dat vooral bestaat uit heel poëtische instrumentale, akoestische interpretaties van Scandinavisch traditioneel en vooral ook zelfgecomponeerd (neotraditioneel) materiaal. De onderhoudende sound leunt dan ook heel sterk aan bij de volksmuziek, hoewel ze niet wegstoppen dat er via de muzikanten jazz- en klassieke invloeden binnengeslopen zijn.
De groepsnaam OVER SUNDET verwijst overigens naar de Øresund, de zeestraat die Denemarken van Zweden scheidt, en betekent dus vrij vertaald ‘aan de overkant van de Sund’. Hiermee geven ze aan dat veel van hun inspiratie van net over het water komt, de Zweedse volksmuziekklank waarin het niet ontbreekt aan zwaarmoedigheid en poëtische kracht. Doorheen de ruwe kracht en mystiek van deze muziek weven ze klassieke en jazzelementen om zo tot een eigen geluid te komen. Zelf omschrijving ze hun muziek als ‘nordic roots’ met pakkende melodieën uit een onuitputtelijke wereld van timbres en dreunende grooves. De groep bestaat uit Cecilie Strange (sopraan- en tenorsaxofoon), Lea Havelund (cello), Siri Iversen (klarinet en basklarinet) en Simon Busk (percussie).
Klarinettiste Iversen tekende voor ‘Lakridsen kommer’ (‘Het zoethout komt eraan’) en zet hierbij onmiddellijk haar instrumenten op het voorplan vanuit een sluimerend verlangen om de zoetzoutige smaak van Lakrids in de mond te kunnen nemen. Meteen is de toon gezet voor een set conversaties tussen saxofoons en klarinetten, met cello en drum als eerbiedige scheidsrechters, waarbij vertrokken wordt van een vrij eenvoudig thema dat steeds in nieuwe variaties en arrangementen hernomen wordt. Swingender gaat het over de jazzy klinkende saxofonen in ‘Sidespring’ (‘Zijsprong’) van de hand van Havelund, tot ze invalt met een melancholische cellopassage die overgaat in het stevigere werk op haar instrument. Zwaarmoedigheid en hoop troef ook in ‘En ny begyndelse’ (‘Een nieuw begin’), een pleidooi om vooruit te kijken, waarbij klarinet en sax geleid worden door een monotome beat. We vinden ook één onderhoudend nummer van saxofoniste Strange terug, meerbepaald in ‘Bjergkøbing’, een slaperig stadje dat ergens zijn eigen ‘Grand Prix’ moet hebben. Een muzikale evocatie waarin vier roeiende muzikanten onweerstaanbaar aangetrokken worden tot de Zweedse wouden vinden we in Iversen’s traag voortschrijdende ‘Over Sundet polska’. Eén van de sterkste nummers is ongetwijfeld ‘Los Piratos’, waarin Havelund zichzelf heel wat vrijheden toestaat op haar cello, en ook de blazers vrij spel verleent, in een nummer dat de verwikkelingen tijdens een braspartij onder piraten evoceert. Lichtvoetig dansen de blazers in ‘Goplen’ (‘De kwal’) op een door de cello gelegde baslijn, ons vertellend dat er zich onder het spiegelgladde zeeoppervlak een nieuwe wereld opent, en we uitgenodigd worden tot een sierlijke dans met de kwallen. Sinistere basklarinetklanken vormen de inzet van Iversen’s ‘‘Halelling’, verwijzend naar een legendarisch schepsel dat in het oosten van Fühnen zou leven, en zich meerbepaald ophoudt in de buurt van de kerk van Ellinge. Het wezen is herkenbaar aan de blauwige kleur en de netjes getrimde staartveren. Het paringsritueel ervan lijkt overigens nogal sterk op een Noorse volksdans,… de halling. Met ‘Granskoven’ (‘Het dennenwoud’) tovert Havelund andermaal heel expressieve klanken uit haar cello, in een grotendeels solo gebrachte evocatie van de muziek die weerklinkt uit de bossen in het westen van het eiland Fühnen, wanneer de wind door de bomen streelt. Ook van haar hand is de afsluiter ‘Svesken’ (‘De pruim’), een vurige liefdesverklaring aan Zweden, waarin de sfeervolle mist uit de vorige nummers enigszins wegtrekt en er ruimte geboden wordt aan wat speelse instrumentale humor .
Hoewel er zeker ook gedanst kan worden op deze cd beschouw ik deze plaat in eerste instantie als een innemende luisterplaat, waarin telkens vanuit eenvoudige melodieën vertrekkend een heel parcours van variates en improvisaties ontwikkeld wordt. De talloze verrassingen steken dan ook niet in uitgesproken effectbejag, maar net in de kleine, bescheiden nuances van klankkleur, tempowissels en dergelijke meer. Heel eerlijk, volledig akoestisch, zonder kunstgrepen, en puur vanuit de beheersing van het eigen instrument. Een voortreffelijk debuut, en een aanrader voor de folkie die ook wel een snuifje jazzinvloeden weet te pruimen en zeker voor elke folkliefhebber die valt voor de timbres van saxofonen, klarinetten, en niet in het minst… de cello.
De groepsleden :
Cecilie Elbrønd Strange : Sopraansaxofoon, tenorsaxofoon
Lea Havelund Rasmussen : Cello
Siri Iversen : Klarinet en basklarinet
Simon Alsing Busk : Percussie
Meer informatie :
Tekst: Sefafolk