TALÈH – Ratapuntu (Folkclub Ethnosuoni, Parsifal, ES 5379) 2009 – 37:15
De in 1996 opgerichte Siciliaanse groep TALÈH, maakt dankbaar gebruik van de rijke muzikale traditie van hun eiland, ze filterend doorheen hun eigen muzikale bril. Vanuit hun voortdurende, geëngageerde zoektocht naar Mediterrane klankkleuren, die aansluiten bij het Sicilië van vandaag, al eeuwenlang een smeltkroes van rassen en culturen, weerklinkt een heel innemend geluid.
De ziel van de groep wordt gevormd door de eerste oprichters Salvatore ‘Turi’ Dipasquale en Gianno Guastellla (gitaar), die snel het gezelschap kregen van Luigi Cosentino (accordeon) en Roberto Difalco (percussie). Iets later sloot ook de vurige multi-instrumentalist Vincent Migliorisi zich aan en sindsdien bleef de bezetting ongewijzigd. Deze laatste is momenteel artistiek leider en belangrijkste arrangeur binnen de groep, en staat verder achter opmerkelijke samenwerkingen met artiesten zoals David Riondino en Teresa De Sio, liet zich eerder al opmerken met albums als ‘LA CASBAH’ en ‘L’ULTIMO INVERNO’ en verzorgde heel wat realisaties voor film, theater en televisie.
De groepsnaam ‘TALÈH’ is het resultaat van een woordenspel met verschillende betekenissen. In het Siciliaanse dialect staat het voor ‘Kijk’, wanneer men de aandacht op iets of iemand wil trekken. In een meer technische betekenis staat de ‘tàlea’ voor de herhaling van een ritmische structuur uit de 14de eeuwse muziek. Deze vormde de eerste ruwe vorm van het moderne isoritme dat de basis vormt voor volksmuziek. In de Griekse mythologie tenslotte was Tàlia de muze die het ‘drama’ beschermde, waarmee onmiddellijk enkele van de geliefkoosde thema’s van Talèh ontsloten worden.
‘RATAPUNTU’ vormt hun debuutalbum, waarbij de titel staat voor de afrondende fase waarmee een naaimachine een naaistuk afboordt, meteen een metafoor voor het artistiek concept van dit album, waarbij heel wat aandacht besteed werd aan de finale afwerking van hun maatwerk. Hoewel de volksmuziekstraditie heel sterk aanwezig is in hun akoestische muziek, weigeren ze zichzelf bij voorbaat in één of ander hoekje te laten drukken.
In hun nummers weerklinkt ondermeer de boosaardigheid, waanzin en gewelddadigheid die vaak schuilt in een wanhopige liefde, hoewel je evengoed geraakt kunt worden door de kleurrijke alchemie van de stemmen, beelden en verhalen van een ver verwijderd, maar toch nog steeds heel relevant verleden. Ze zingen uitsluitend in het dialect van Ragusa.
‘A puddira ccà stidda’ beschouwen ze als een eigentijdse epische ballade die zich sterk liet inspireren door de ‘Cantica dei cantici’, verwijzend naar het volksgeloof waarin zich steeds weer achter een sacrale, ook een profane kant verschuilt, en de luisteraar onderdompelt in een brouwsel van doctrines en (bij)geloof. De devotie in de aanzet ruimt dan ook reeds snel plaats voor heel lichtvoetige arrangementen waar strijkers en mandola aan het dansen slaan op de accordeonbassen en de percussiesectie. Ook het op schuchtere 12-string ingezette ‘Se mi susu’ krijgt al snel een heel krachtige, swingende drive, onder een scanderende zangpartij die verwijst naar een volks bijgeloof, dat stelt dat het heel onverstandig is een reis aan te vatten wanneer je geen doel voor ogen hebt. De licht spottende ondertoon binnen de alternerende samen-, voor- en refreinzang verleent een ranzig kantje aan dit op het eerste zicht heel blijmoedige nummer. Subtiel is het vraag- en antwoordmotiefje tussen gitaar en accordeon in ‘Nasca patasca’, een innoverende compositie binnen het traditionele muzikale panorama, die tegelijk oppervlakkig en diepzinnig is, door de betoverende uitvoering, waarin voor- en refreinzang om elkaar heen dansen, een puik arrangement met een suggestieve kracht die iedereen tot het dansen en zingen drijft. Vervolgens is het tijd voor enkele tradtionele nummers, met eerst het ietwat sombere ‘Ppi mmia’, een traag klaaglied dat de voorouderlijke tragiek van onderwerping aan vreemde overheersing ten gehore brengt, ondanks het feit dat het ook het thema van geloof en liefde in zich meedraagt. Heel wat feestelijker klinkt de volgende traditional ‘A virrinedda’, niet in het minst door de inbreng van een trompet. Met het dromerige ‘L’amuri’ bewijst Migliorisi ook wel een begenadigd singersongwriter te zijn, die erin slaagt een oeroud Siciliaanse thema, dat een metafoor oplevert voor de talrijke zielen die gestolen worden, dan wel verkocht uit noodzaak. Wervelend zijn de gitaarinterventies en de veelzijdige percussie in ‘Nannu…’, die bij mij de avantgardistische sferen van het Tsjechische JABLKON oproepen. Deze fabel wordt op ijltempo bezongen met een aantal stemmen die voortdurend met elkaar interfereren en een kinderbrabbeltaaltje evoceren. ‘Tuppi tuppi’ vormt dan weer een vibrante interpretatie van een ietwat ironische traditionele ballade die dat soort religieuzen aan de kaak stelt dat zich niet enkel in het winnen van zieltjes interesseert, wat nogal wordt uitgespeeld in de onomatopeeën en de metaforen binnen het refrein. Niet minder flamboyant is het enige instrumentale nummer, hun eigen ‘Tarantella di lu vespiri’ die, misschien wat verrassend een vrij gematigd tempo weet aan te houden. Een a capella vormt de inzet van hun afsluiter, het tradtionele ‘Signuruzzu chiuviti’, misschien wel het meest ingetogen nummer op deze schijf, een gebed om de droogte weg te drijven. De toon sluit sterk aan bij een klaagzang en wordt in diverse passages opgesierd door de bekoorlijke stem van gastzangeres Elvira Bomabò.
Deze cd, van het al vaker interessant gebleken label FolkClub Etnosuoni, doet het licht schijnen op een Siciliaanse akoestische groep die zonder de traditie te verkrachten, af en toe net buiten de lijntjes gaat kleuren en verbreden zo lichtjes de grenzen. Zo bouwen ze mee aan een stuk nieuwe traditie binnen de Siciliaanse volksmuziekscene. Het resultaat is een stevige portie heel dansbaar repertoire, dat daarnaast ook heel wat zomers luisterplezier in zich draagt.
De groepsleden :
Salvatore ‘Turi’ Dipasquale : zang
Gianni Guastella : zang, akoestische gitaar
Vincent Migliorisi : zang, bouzouki, basgitaar, klassieke gitaar, akoestische gitaar, 12-string gitaar, percussie
Roberto Difalco : zang, percussie
Luigi Cosentino : zang, accordeon
Gasten :
Piero Vasile : viool
Saro Tribastone : mandoline
Salvo Distefano : trompet
Gino Carbonaro : accordeon (‘Nasca Patasca’)
Elvira Bomabò : zang (‘Signuruzzu chiuviti’)
Simona Sciacca : zang (‘L’amuri’)
Meer informatie :
Tekst: Sefafolk