STEELEYE SPAN – Cogs, Wheels and Lovers (Park Records, Music & Words, PRKCD 106) 2009 – 50:43
STEELEYE SPAN is nog steeds springlevend ! Nadat er eerder dit jaar ter ere van die 40e verjaardag een live-cd+dvd is verschenen ‘LIVE AT A DISTANCE’ (PRKCD 104) komt de groep nu met een nieuw studio-album op de proppen. Het lijkt erop dat ze hierbij terugkeren naar hun roots, naar de beginjaren waar ze met ijzersterke folkrock-interpretaties van traditionele ballads alle grote podia in ‘Folkland’ wisten te veroveren. Hun leeftijden vormen nog geen barrière voor een dosis degelijke folkrock.
Uitgerekend op Kerstavond van 2009 overleed overigens één van de oprichters, Tim Hart, op 61-jarige leeftijd aan longkanker. Hij verliet de groep in 1983 en trok zich later terug uit de muziekwereld. Samen met Maddy Prior sloot hij in 1969 een verbond met de toen uit FAIRPORT CONVENTION afkomstige Ashley Hutchings (die tot in 1972 mee aan de kar hielp trekken). Ondertussen is deze legendarische groep aan zijn 17de bezetting toe, die sinds 2003 niet meer veranderde en waarvan sommigen aan vroegere bezettingen reeds hun steentje bijdroegen. Maddy Prior zelf verliet de groep even tussen 1997 en 2001 om aan een solocarrière te werken, maar kwam daarna terug naar de oude stal. De huidige line-up bestaat verder uit Peter Knight (viool en zang) die er sinds 1971 permanent bij is (een afwezigheid in 1978-79 even buiten beschouwing gelaten), Rick Kemp bassist (en zang) van dienst van 1973 tot 1986, en opnieuw sinds 2000, Liam Genockey (drums en percussie in de periode 1989 tot 1997 en terug vanaf 2002) en tenslotte de sinds 2003 toegetreden gitarist Ken Nicol. Het was reeds langere tijd wat stiller rond de groep, maar 2009 bracht daar met een wereldwijde verjaardagstoernee verandering in. Ze heroverden de V.S. en Australe om vervolgens terug te keren naar Engeland waar ze een drukbezette kalender kenden. Voor wie het ondertussen mocht vergeten zijn, is de groepsnaam STEELEYE SPAN afkomstig van het volksliedje ‘Horkstow Grange’ uit Lincolnshire. Martin Carthy was infeite de aanbrenger toen hij het nummer voorlegde aan Tim Hart via de collectie van Percy Grainger.
Met ‘COGS, WHEELS AND LOVERS’ scoren ze hun 21ste album en bewijzen ze nog steeds kredietwaardig te zijn, niet in het minst doordat onmiddellijk blijkt dat de ondertussen 62-jarige stem van Maddy Prior nauwelijks iets aan de oude vurigheid diende in te boeten. Opnieuw kozen ze radikaal voor traditionele nummers, die ze voorzien van een stevig gerijpt rockjasje. Het is verrassend hoe ze er telkens weer in slagen om haast verloren gewaande melodieën nieuw leven in te blazen, zonder dat ze zichzelf hierbij eindeloos gaan herhalen. Opmerkelijk is hoe de groep met een vrij beperkt instrumentarium nog steeds een heel verscheidenheid aan muzikale texturen weet aaneen te rijgen. Ze voelen heel goed aan welk arrangent een nummer vraagt, en slagen er daarenboven in dit uit te werken. Enkele nummers brachten ze eerder uit, maar stopten ze hier in een totaal nieuw jasje.
Van bij hun opener, een 19de eeuwse sea shanty, ‘Gallant Frigate Amphitrite’, zonder complexen ingerockt, is het duidelijk dat ze nog steeds (of misschien wel opnieuw) in een begenadigde creatieve, vruchtbare periode aanbeland zijn, vooral wanneer de stem van Maddy en de vioolstrijken van Peter zich steeds dwingender rond de stevige gitaargrooves gaan wringen. Een traditioneler geluid vormt in contrast de daarop volgende rustige ballade ‘Locks And Bolts’, over een koppeltje dat uiteengerukt wordt door een hatelijke vader, met slepend vioolspel van Peter Knight die af en toe gaat soleren , en heel simpele, maar oerdegelijke samenzang in de refreinen. ‘Creeping Jane’ een kolderesk lied met het paardenrace-circuit als decors, over een paard dat weet dat het de beste is, hoewel hoogstens zijn berijder erin gelooft, en met veel grandeur de bookmakers tot nagelbijten beweegt. De sfeer roept onvermijdelijk herinneringen op aan de uitbundige, niet van humor gespeende, pulserende dynamiek van klassiekers als ‘All Around My Hat’. Een ander pareltje in de kroon vormt ‘Just As The Tide (Was Flowing)’, één van de vele arrangementen op wat een evergreenballade genoemd kan worden, handelend over de liefdesperikelen van de zeeman. Mee door het vitale, sprankelende vioolspel van Knight doorstaat ook deze bewerking ruim de test van de geloofwaardigheid. Soms is een nummer het mooist wanneer men ervoor kiest om het bewust simpel te houden, en aan deze wet beantwoordt ‘(Wild Goose) Ranzo’, ruimschoots waarin een enigszins gospel-aandoend close hamoniezang enkel begeleid wordt met handgeklap en vioolpizzicato’s. Groots in zijn eenvoud. Welk een contrast met de metalige, mechanische, percussieve instrumentele aanhef van ‘The Machiner’s Song’, een vrij, unieke burleske interpretatie deze traditional, die ondanks de bij momenten weirdy gitaararrangementen, zijn authenticiteit niet volledig inlevert. Grappig trouwens hoe ze er finaal in slagen de machinerie in de soep te draaien. Daarna slepen en drum ons mee in het trieste verhaal van ‘Our Captain Cried’, in een vol, maar net niet overdadig arrangement waaruit andermaal hun meesterschap blijkt. De zoetste ballade op deze plaat vormt ontegensprekelijk Ierse ‘Two Constant Lovers’, waarbij vooral Knight, zowel in de delicate en melancholische frontzang, als in enkele meeslepende vioolsolos de aandacht weet te trekken. De stevige drumbeam die de inzet vormt van ‘Madam Will You Walk ?’ voert ons dan terug naar hun repertoire van uitbundige, swingende en rockende uitbrekers, met ironie rond het gekende thema van de liefde voor het geld. Opmerkelijk is de lyrische structuur waarbij het verhaal zich heel traag ontwikkelt door in elke vers slechts enkele lijnen te veranderen. Dit levert een heel catchy melodie op die zich als een oorworm in het geheugen binnenwurmpt. Maddy mogen we vervolgens nog eens op haar best horen in de intrieste klaagzang ‘The Unquiet Grave’ (dat in oorsprong uit de 14de eeuw zou stammen) in een eigentijds jasje. Het handelt over de in haar verdriet verstrikt geraakte geliefde een jaar en een dag na de dood van haar geliefde een geest ontmoet die haar aanmoedigt de draad van het leven terug op te nemen. Deze meer dan aardige schijf eindigt met een speels 18de boswachters- en stroperslied in ‘Thornaby Woods’, om ons, na een stilte te verrassen met ijzige vioolhalen die Maddy begeleiden in de sobere spooktrack ‘The Great Silkie Of Sules Skerrie’, een beklijvend verhaal van de zeeman die aan land het vaderschap over zijn zoon komt opeisen, waarin heel wat ruimte gelaten wordt voor innemende solovioolimprovisaties.
Er is geen enkele reden om dit STEELEYE SPAN op pensioen te sturen, ondanks het feit dat ze in opgetelde leeftijd ruim twee eeuwen overschrijden. Ze hebben immers duidelijk een nieuwe creatieve adem gevonden, waardoor hun muziek opnieuw meer dan één beluistering waard wordt. Zonder aan de soliede backing van veteranen Rick Kemp en Peter Knight voorbij te gaan, speelt ook Ken Nicol’s gitaarspel zowel in front als begeleiding hier een sterke rol. Het materiaal zelf draagt het waarmerk van de traditie in zijn thema’s, hoewel men nagelaten heeft ons gefundeerde informatie te bezorgen over de oorsprong. En ook al is het kristallijne misschien ietwat matter geworden in het stemgeluid van Maddy, is zij nog lang niet afgeschreven. Of alle nummers nu traditioneel zijn, of heel vrije persoonlijke bewerkingen van ruwe basisgegevens, het eindresultaat doet ons het belang hiervan vergeten. Het is gewoon oerdegelijke Engelse folk, gegoten in een schijf die zonder blozen de vergelijking met heel wat van hun vroeger werk kan doorstaan, en veel ervan overtreft. Ik kijk vol verwachting uit naar een volgende.
De groepsleden :
Maddy Prior : zang
Peter Knight : viool, zang
Rick Kemp : bas, zang
Ken Nicol : gitaren, zang
Liam Genockey : drums, percussie
Meer informatie :
Tekst: Sefafolk