Abid Bahri Ensemble in De Centrale te Gent op vrijdag 8 januari 2010.
De Marokkaanse Belg Abid Bahri, buitengewoon solist op oed, saz, sentir en nog andere snaarinstrumenten, maakte naam als lid van formaties als AHL EL HIJIRA, WESHM en LUTHOMANIA, is bovendien een begenadigd componist (projecten als QAYNA en SOUFI STATIONS) of katalysator in een bepaald initiatief (GHIWANIYAT ORCHESTRA) Bahri woont al 42 jaar op diverse plekken in Brussel (Schaarbeek, Molenbeek, Anderlecht), wat hem dan ook doet besluiten dat hij in zekere zin ‘meer Brusselaar is dan Marokkaan’. In 2009 maakte hij in eigen beheer het opgemerkte album ‘Au gré du oud’, wat je kan vertalen als ‘Volgens de Wensen van de Oed’ of ‘Zoals het de Oed belieft’. Op die plaat toetst hij die oed aan viool en cello, maar ook aan percussie.
Het concert dat Abid Bahri in De Centrale gaf op vrijdag 8 januari was even stil en minzaam als de man zelf is. Achter dat dociel uiterlijk schuilt echter een gepassioneerd muzikant, nog steeds verliefd op ‘les sonorités’ van zijn en andermans instrumenten, klankkleuren die hij zo graag bevraagt. Abid werd op zijn wenken bediend door de uitstekende muzikanten die hij meegebracht had, dezelfde als op de cd, behalve dan dat op de cd Aurélie Dorzée meedoet, (alt)violiste die we kennen van AURELIA. Op podium werd ze haar plaats ingenomen door Bahri’s vriend en collega van bij Luthomania, Xia Hua. Die speelt de Chinese ‘p’i-p’a’, die zich tot de oed verhoudt als een viool tegenover de cello, een uitdaging méér in Bahri’s wereld van ‘rencontre et partage’, 'ontmoeting om met elkaar te delen'.
Verder bevonden zich op podium Aurélia Boven (cello), Caroline Eugène (viool) en Ahmed Khaili (percussie), die goed begrijpen waar Bahri naartoe wil, al voel je aan de hand van dit concert dat deze gelegenheidsgroep, meer nog dan andere formaties, nood heeft aan veel spelen om de benadering ten volle te laten werken. De symbiose, of alvast de coëxistentie, wordt dan nog bemoeilijkt doordat de westerse muziek in wezen harmonisch en de Arabische muziek essentieel melodisch is. Dat je dat zoeken dan ook hoort, is trouwens geen punt: ook dat is boeiend om volgen en maakt deel uit van het groeiproces, waar je bevoorrecht getuige van mag zijn.
Want in tegenstelling tot zoveel nieuwlichters zoekt Bahri zijn heil niet in modieuze fusies en cross-overs, omdat die volgens hem leiden tot het opgeven van de eigenheid van minstens één der partijen. Wel gelooft hij heel sterk in een interculturele wisselwerking, maar dan wel op vrije basis, waarbij ieder zichzelf kan blijven en beslissen wat hij met de nieuw aangereikte elementen aanvangt. ‘Rencontre et partage, pas de fusion’. Heel zijn loopbaan staat in het teken van deze confrontatie, net zoals dat in zijn leven van alledag is, schrijlings tussen zeer verschillende culturen.
Een wijdverbreid misverstand is dat iemand van vreemde, vaak oosterse en/of zuiderse origine automatisch een ,,traditioneel’’ muzikant zou zijn. Dat is lange niet meer zo het geval als voorheen. Niets is minder waar in het geval van Abid Bahri: zowel de hoogstpersoonlijke, autodidactische benadering van zijn hoofdinstrument als zijn effectieve toenadering tot de meest uiteenlopende muziekvormen tonen aan dat hij vanuit het eigen tijdsgewricht denkt. Dat is gevoed door het verleden, een verleden waar Bahri weet van heeft en respecteert, maar hij is geen purist of archeoloog. Dat reikt tot ver buiten de muziek: Abid Bahri wordt in het artistieke gestuurd door een hevige sociale bewogenheid, gevolg van de politieke situatie waarmee hij als berber in Marokko en als inwijkeling in België mee opgegroeid is.
De muziek bleek een machtig wapen om wantoestanden aan te klagen, daar waar andere methodes door repressie en machtsmisbruik faalden. Bahri inspireerde zich conform de Ghiwaniya-beweging op de figuur van de ‘ghiwane’, de troubadour en spreekbuis van het volk, en zo rolde hij, de binnenhuisarchitect, de professionele muziekwereld in. Die beweging was niet zomaar een revival maar uitte de onvrede op een symbolische manier. Ze leidde overigens ook tot een herwaardering van de andere culturen van de maghreb en Andalusië binnen de overheersende Arabische, wat ook voor soefi inbreng geldt, wat Bahri heel zeker zal geïnspireerd hebben. Met Soufi Stations stond hij tijdens het Air Maroc gebeuren al centraal… in De Centrale (2007) Zijn onverdroten ijver in telkens weer nieuwe initiatieven bracht hem automatisch in contact met andere culturen, al was het maar omdat kennis van beide samen nog al te zelden voorkomt.
Van die sociaal geëngageerde dimensie was vrijdag natuurlijk wel iets te merken, al was het dan in de vorm van een algemene humane dimensie die Abid in zijn inleidingen naar voor schoof. Maar al bij al stond hier toch het muzikale avontuur op de eerste plaats. Zoals het een hoofse gastheer past, opende Bahri met een welkomstwoord in de vorm van ‘Taj Mahal’, een ‘taksim’, een ritmisch vrije intro, die de ‘makam’, zeer eenvoudig gesteld de ‘toonschaal’, verkent die doorgaans in het volgende stuk later aan bod komt, maar tegenwoordig mag een taksim vooral de technische kunde en de maqam kennis van de solist in het licht stellen.
De taksim vloeit over in het in duo gebrachte ‘Barbat Café’ waarna het vooral door de strijkers gedragen ‘Calcutta Blues’ volgt. De melodie wordt opgedragen wordt aan de straatkinderen in India, Marokko, Kosovo en waar ook ter wereld. Bahri beperkt zich tot de oed, op een tweetal gelegenheden na, waarop hij de ‘sentir‘ bespeelt (of was het toch de verwante ‘guembri’?) Opvallend is de variatie in het verfijnd bespeelde slagwerk van allerlei aard, zoals waterdrum, ‘darboeka‘, de ‘def’, de ‘sordo’, de ‘oedoe’ en een keertje zelfs een liggende oed met houten stokjes betokkeld, wat onze verwende oren vergastte op ‘nieuwe’ klanken. Erg mooi trouwens dat ‘Vent de sable’.
De inbreng van de p’i-p’a betekende op haar beurt een opvallende verbreding van de mogelijkheden. ‘Black Bamboo’ en het schitterende ‘Yi’ waren de enige melodieën die niet op ‘Au gré du oud’ staan. ‘Yi’ deed ons denken aan stukken uit ‘Phases Of The Moon’, de eenmalige en wankele samenwerking van CBS met de Chinese overheid in een poging om een hele serie te maken die de Chinese muziek zou bestrijken, van Mongolië tot de Beijing Opera. Dit project uit de eighties werd na die ene plaat afgevoerd, voor zover we weten, maar de LP is nog altijd een prachtige verzameling met muziek uit alle windrichtingen van het immense land. ‘Haïku’ is dan weer, zoals de titel aangeeft, vrij kort en krachtig en heeft inderdaad ‘iets Japans’. Na een stuk geïnspireerd door Andalusië (‘Andaloussiyat’), houdt het gezelschap een korte pauze, op vraag van een aantal mensen.
Het deel na de pauze zou dus kort zijn, maar dat viel nog mee. In elk geval ging het programma naar een opvallend en steil hoogtepunt met een stuk opgedragen aan de wereldvrede (‘Peace Piece’), ‘El Guerrab’ en het ‘pièce de résistance’ ‘Itinérances’. Daartussenin ‘Mediterranea’, een werk dat zowaar al het goede van deze benadering samenvat. De rustige en gedragen passage waarin oed en cello dialogeren, waarna ook de p’i-p’a zich in het gesprek mengt, is van een etherische schoonheid die doet dromen van een wereld in harmonie. Iemand als Abid Bahri brengt die dichterbij.
Antoine Légat (15 01 10)