AFRO ANATOLIAN TALES – Live in Teheran (Papyros, Music & Words, MWCD 5020) 2009 - 44:31
Vier muzikale verhalen vormen de neerslag van een gedurfd live-optreden in Teheran van AFRO ANATOLIAN TALES, een kwintet dat in 2008 Nederland vertegenwoordigde op het gerenommeerde Fajar Festival. Was ‘AFRO ANATOLIAN TALES’ aanvankelijk in 2008 de titel van een zeer geslaagde cd van de Turks-Nederlandse percussionist Sjahin During, dan bedacht hij de groep rond hem ondertussen met dezelfde naam.
Vorig jaar reisde During met de ook uit Turkije afkomstige Ozhan Acikbas (saz en zang) en de Roemeen Alex Simu (klarinet, saxofoon, laptop), het akoestische hart van de Amsterdamse crossovergroep TARHANA, af naar Teheran om er in opdracht van het ‘Music Centrum Nederland’ Nederland te vertegenwoordigen op het Fajar muziekfestival. De opdracht bestond er ‘simpel’ in aan de slag te gaan met twee van de meest vooraanstaande muzikanten van Iran, Kourosh Babaei (kamanche) en Ali Rahimi (tombak en daf), met hen een repertoire uit te bouwen en er vervolgens mee uit te pakken voor een Iraans publiek. Het werd voor iedereen een heel bijzondere ervaring. Toen men zowat klaar stond om terug af te reizen liet Moghaddam, de klanktechnicus zich ontvallen dat hij eigenlijk alles opgenomen had, en dan nog wel op meerdere sporen. Toen het materiaal achteraf herbeluisterd werd was eenieder het erover eens dat de in Teheran en Shiraz vertelde verhalen ook hier opnieuw verteld dienden te worden. Het resultaat horen we op ‘LIVE IN TEHERAN’.
Indringende solopassages op de kemanche (de Perzische viool van de familie van de rebab) planten zich in ‘Persian Alap’ op een soliede, mee door de electronica gestuurde drone, ondergrond waarop vervolgens de integere stem van Acikbas en de verschillende percussie-instrumenten gaan openbloeien in een uitgesproken contemplatieve, haast mystieke sfeerschepping, die zich gaandeweg verbreedt in een hoopvol crescendo, dat ons via jachtige klarinet- en kemancheklanken naadloos de zwoele nacht binnenvoert in ‘Nights in Shiraz’, waarin we, als het ware kuierend door de steegjes, afwisselend getuige zijn van passionele tafereeltjes, ruziënde handelaars, te mijden holen, en waarin, naarmate de nacht vordert de chaos in de gemoed steeds verder toeneemt. Haast dreigend mysterieus kondigt het derde nummer zich aan, een haast symfonische suite, waarmee alles eigenlijk begon, op het ontmoetingspunt waar antagonisten elkaar muzikaal begonnen af te tasten, en de klanken zich stilaan vermengden en aansluiting zochten. Hier ontstond er een haast erotiserende spanningsboog ontstond waarbij de verschillende culturen elkaar gingen bevruchten. Niet zonder slag of stoot evenwel, daar onze noorderburen er aanvankelijk vooral op uit waren om zoveel mogelijk op te steken over de Perzische muziektraditie en deze zoveel als mogelijk te assimileren. Dit bracht hun Iraanse tegenspelers in de war, die zich afvroegen of dit echt datgene was wat ze wilden doen, en of ze eigenlijk hun instrumenten wel beheersten. Handjes los dus en na een eerste avond ‘jammen’ leverde dit een schat aan ideëen en melodieën op, nadat Kourosh uitpakte met thema’s en improvisaties uit het rijke repertoire van de Iraanse en Koerdische volksmuziek, waarop de anderen geleidelijk gingen meebewegen. Deze deining vond ondermeer zijn synthese in een bijna twintig minuten durend ‘Meeting Point’, waarin ritmisch een heerlijke percussieve textuur geschapen wordt door de fragiele en wispelturige klank van Rahimi’s tombak, reisgezel van During’s udu en cajon. Tijd zat om te genieten van de grootse muzikale landschappen, waar heel wat vrije improvisatieruimte gelaten wordt aan de saxofoon, op een bedje van meesterlijk, doch nergens overheersend percussiespel. Zoals voor elk van de andere stukken putte men ook hier uit de traditie. Enkel werd er gebruik gemaakt van enkele stukken uit ‘Zahilde’ een muzikaal meesterwerk van Neset Ertas, op teksten van Mustafa Ozturk, die heel breed uitgesponnen en zinderend door het instrumentale klankentapijt geweven worden. Kers op de taart vormt de apotheose met ‘Lalaee’, een nummer dat die eerste avond reeds helemaal in de goede plooi viel en waarin we op avontuur trekken op de fantazierijke wat jazzy aandoende saxofoonsolo’s van Simu, die parelend vuurwerk leveren, maar ons ook in enkele ijzige dialogen met de soms klagende kemanche in sterk melancholische sferen voeren.
Het op onbeschrijfelijk op elkaar ingespeeld zijn van de groep is nog verrassender als men weet dat dit schijfje de registratie vormt vanuit twee concerten die plaatsvonden na amper drie repetitiedagen. Een heerlijke bloemlezing van hoofdzakelijk instrumentale liefdesverhalen, sprookjes van 1001 nachten, onderdeel van ons collectief onderbewuste. En alweer een typevoorbeeld van hoe muziek de kracht in zich heeft om grenzen open te breken en te verleggen, omwille van de universele taal die het in zich draagt, begrijpelijk voor iedereen, waar de talrijke talen van woorden nauwelijks in slagen.
De groepsleden :
Ali Rahimi (Iran) : tombak en daf
Koroush Babaei (Iran) : komanche
Ozhan Acikbas (Turkije) : saz en zang
Alex Simu (Roemenië) : klarinet, saxofoon en laptop
Sjahin During (Turkije/Nederland) : percussie
Meer informatie :