KILA – Rogha, The Best of Kila (KILA RECORDS, XANGO MUSIC DISTRIBUTION, CACD 1601) 2009 – 62:11 en 62:07
De zich een 23 jaar terug als heel beloftevol aankondigende Ierse band KILA zingt en speelt het nog steeds met evenveel spirit uit. Van bij hun debuut was het duidelijk dat ze hun Ierse roots nooit zouden verloochenen. In tegenstelling tot veel van hun lotgenoten waren ze evenwel niet te vinden voor een hermetisch voortborduren op die traditie. Elke gelegenheid namen ze te baat om muzikale invloeden van over de hele wereld binnen te laten sijpelen in hun frisse en innoverende arrangementen. Getuige deze prestigieuze dubbele compilatie-cd, ideaal moment om deze supergroep even in de schijnwerpers te plaatsen.
Van de in 1987 opgerichte tienerbende maken momenteel Eoin Dillon (uileann pipes) en de broers Rossa (tin en low whistle, clarinet, bones, bodhrán, bongos, congas, djembe, didgeridoo, bandooria, darabuka, percussie en zang), en Rónán (bodhrán, zang) Ó Snodaigh nog steeds de dienst uit. Een jaar later besloot een andere broer, Colm (fluit, whistles, zang) mee aan het roer te staan. In 1991 staan ze voor hun eerste opnames en ondergaat de bezetting enkele wijzigingen, waarbij ondermeer Dee Armstrong (viool, percussie) haar intrede doet. Zij gradueerde in de filmmakerij en is als violiste klassiek geschoold. Daarnaast speelt ze dulcimer, volgde ze een balletopleiding en amuzeerde zich met MACNAS in het straattheater en zij is de drijvende motor achter het invoegen van acrobaten en artiesten op het podium. KILA pakt immers graag uit met trapeze-acrobatie, vuurspuwers en dansers tijdens hun live-optredens. Op dat moment beginnen ze ook te spelen in ‘The Project’, waarbij voor het eerst gebruik gemaakt wordt van dansers, artiesten en visuele effecten. Een jaar later duiken ze de studio in voor de opnamen van ‘HANDELS FANTASY’ waarmee ze in 1993 nogal wat furore maken. Datzelfde jaar dienen Rónán en gitarist Lance Hogan behoorlijk wat te toeren met DEAD CAN DANCE tijdens hun memorabele ‘Into the Labyrinth’-tournee. Kila zelf doet voor het eerst Duitsland aan en laat zich opmerken op het Festival Interceltique de Lorient. In 1994 wordt ook de broer van Lance, multiinstrumentalist Brian Hogan (basgitaar, contrabas, gitaar, mandoline, drums en zang) aangetrokken ter vervanging van Ed Kelly. Hij kwam op dat moment uit de Rockscene in Dublin, waar hij ondermeer speelde bij de funkband PAMF. Ook Dillon knijpt er dat jaar even tussenuit. Sinds 1997 werd niets meer gewijzigd aan de huidige line-up. Het was het jaar dat ze doorbraken in de Verenigde Staten en de nieuwe wereld penetreerden tot in San Francisco, terwijl het jaar daarop Japan en Canada aan de beurt zijn. Net voor de eeuwwisseling gaat het richting Australië en Nieuw Zeeland. De jaren erop ging het steeds crescendo en toerden ze in een dertigtal landen. waarbij ze met de regelmaat van de klok een nieuw album ten gehore brachten en ook vaak opgezocht werden om veelsoortig soundtrackmateriaal te leveren. Zo luisteren ze diverse films en series op, leverden ze een auditieve meerwaarde aan een handvol documentaires en schreven in 2001 de soundtrack voor het theaterstuk ‘MONKEY!’, opgevoerd in London West End Theatre. Tot de films rekenen we ‘The Secret of Kells' (Tomm Moore - Cartoon Saloon), 'Gold in the Streets' (Liz Gill, Noel Pearson - Ferndale Films), 'Silent Grace' (Maeve Murphy, Follower Productions), 'Capital Letters' (Ciaran Ó Connor). Ze luisterden ook de zesdelige serie ‘Celtic Monsters’ op (een coproductie tussen TG4 en SC4 uit 2005). Ook zijn ze te horen in documentaires als ‘Seven Days’ over de schrijver Paulo Coehlo, ‘Hidden Treasures’ (Irish Folklore and Crafts series – LooplineProductions) en een aantal BBC Timewatch documentaries, waaronder 'The Battle of The River Plate (2005), Hadrians Wall (2006) en ‘Richard Hammond and the Holy Grail’ (2006),... en in de RTE producties ‘Primetime Special on Islam In Ireland’ (2006). Voor al deze opdrachten is het vooral Lance Hogan die als manusje van alles fungeert, en heel wat productietaken op zich neemt. Hij schreef trouwens ook de muziek voor de openingsceremonie van The Special Olympics in Dublin (2003). Recent werkte hij nog samen met drievoudig César Award winnaar Bruno Coulais (‘MICROCOSMOS’) voor de animatiefilm ‘BRENDAN AND THE SECRET BOOK OF KELLS’ (2009).
Van diegenen die er van het eerste uur bijwaren ontpopte Eoin Dillon zich ondertussen ook als begenadigd bouwer van uillean pipes, en noemt zich overigens ook pipe-psycholoog. Hij werkte ondertussen ook samen met Hector Zazou, Manus Lunny en Jane Sibery. Van de Ó Snodaigh’s zijn Rossa en Rónán er van het eerste uur bij. Eerstgenoemde, vol acrobaten- en jongleurskuren geldt als de meest uitgesproken instrumentale duizendpoot. Rónán van zijn kant werkte in het verleden samen met Zakir Hussein en Lisa Gerrard, die hem net als Lance verleidde om te toeren met DEAD CAN DANCE. Hij wordt zowat de Jimi Hendrix van de Bodhrán genoemd, maar is ook een niet te onderschatten singer songwriter (in het Engels en het Iers), zwevend tussen de folk en de rock. Van zijn soloalbum ‘TIP TOE’ (2001) brengt Kila op deze compilatie overigens ‘Sing to me’ uit. Derde broer Colm sloot zich als fluitist ook al heel snel aan bij de club. Ze runnen ondertussen hun eigen label en beschikken over een eigen opnamestudio.
Op de voorliggende dubbele compilatie-cd vinden we niet minder dan 25 nummers terug, waarbij een selectie werd gemaakt uit zowat alle albums, ‘HANDEL’S FANTASY’ (1993), ‘MIND THE GAP’ (1995), ‘TÒG É GO BOG É’ (1997), ‘LEMONADE & BUNS’ en ‘LIVE IN VICAR STREET’ (2000), ‘MONKEY’ (2001, soundtrack), ‘LUNA PARK’ (2003), ‘KILA & OKI’ (2006), ‘GAMBLERS’ BALLET’ (2007) en ‘THE SECRET OF KELLS’ (2008, soundtrack). Ruim voldoende om een mooie staalkaart aan te bieden van de opwindende veekzijdigheid die de groep aan de dag legt, in een kleurrijke, soms heel exotisch klinkende mondiale fuzie vanuit de Ierse traditie, in een bonte mengeling van vocale en instrumentale nummers, doorgaans voortgestuwd door een uitgesproken ritmische onderbouw. Bij hen vinden we geen enkele traditional in de zuivere betekenis terug. De voornaamste leveranciers van tekst en melodie zijn de broertjes Ó Snodaigh en Eoin Dillon.
Voor de verdere bespreking volgen we de chronologie van de albums, een optie die terecht niet genomen werd bij het samenstellen van de tracklist. Van ‘HANDEL’S FANTASY’ vinden we één nummer terug, een jachtig door Rónán ingezongen ‘Cathain’, dat zijn instrumentale begeleiding in eerste instantie haalt uit een waslijst percussie, uiteraard met bodhrán op de voorgrond, waarna de whistles de zanglijn overnemen. Leuk is dat dit nummer in een nieuwe versie ‘Cathain Nua’ speciaal heropgenomen werd als afsluitende kers op de taart van dit dubbelalbum, wat meteen een impressie heeft van de evolutie die ze doormaakten sinds hun eerste album verscheen. Toch kan ik me niet van de indruk ontdoen dat dit nummer wel niet het meest typische van dit album zal geweest zijn, gezien ze zich hier vooral lieten inspireren door de barok en Corelli. Van ‘MIND THE GAP’ bleven twee nummers overeind, het wat mysterieus inzettende instrumentale ‘Tickelled’ dat na een korte test overgaat in een swingend jig-ritme, en het stevig op electrische gitaar (van de toen nog meespelende Eoin O’Brien) ingezette, rockende ‘Ezekiel’ waar ondermeer een low whistle de fragiele vogelzang gaat verdringen. ‘TÒG É GO BOG É’ is sterker vertegenwoordigd, ondermeer met de melancholische vioolklanken van ‘Dusty Wine Bottle’, getekend Dee Armstrong en de reggae-sound van ‘Ón taobh tuathail amach’, geritmeerd door een huwelijk van bodhrán en afro-percussie en met een eenzame trompetdeun van gast Hugh O’Neill. Uit ‘LEMONADE & BUNS’ weerhielden ze de pakkende, slepende ballade ‘Cé tú féin’ van de hand van Colm, zacht begeleid op viool en tinwhistle (feadóg stáin), met een snuifje spaanse gitaar van gast Steve Cooney, de heel bekoorlijke Afro-Celtfuzie van ‘An tiománia’, en de titelsong. Een impressie van hun sterke live-reputatie krijgen we met het vocale, ook al sterk afrogekleurde ‘Bí Ann/Leanfaidh mé’ van de plaat ‘LIVE IN VICAR STREET’. Dillon schreef ondermeer de mistige soundscape ‘Buddha Waltz’ voor de soundtrack ‘MONKEY’, een contemplatief deinen op de tonen van viool, gitaar, calimba en low whistle. Met ‘LUNA PARK’ verrassen ze ons andermaal met een heel rijpe, na twee jaar schrappen en herarrangeren en komt hun liefde voor de fuzie tenvolle tot wasdom, getuige nummers als ‘Grand Hotel’, Dillon’s ‘Bully’s Acre’ waarin instrumenten als marimba, houten xylofoon, lap steel en tabla een plaats vinden. Haast symfonische folkrock brengen ze met ‘Glanfaidh mé’, versterkt met ondermeer het CEATHRAR STRING QUARTET, een bijna tien minuten durende bij momenten haast bezwerende suite, met de heel typische Rónán-stem op het voorplan en gaste Gemma Hayes in de backing, een bij moment schitterend gevecht ook tussen uillean pipe en strijkers. In 2006 realiseerden een project met de Japanse zanger en muzikant Oki, ‘KILA & OKI’, een ontmoeting van muzikale geesten en determinatie. Het Ainu gaat hand in hand met het Iers, alsof het al eeuwen zo verliep. Zo opent zich een wereld waarin tonkori (een soort aangeslagen klompviool uit de Ainu-cultuur) en mukkuri (Japanse mondharp) gaan samenvloeien met het Iers instrumentarium en gezongen verzen uit beide culturen naadloos in elkaar overvloeien. Een experiment dat me ongewild vibraties bezorgt, niet in het minst in heel poëtische ‘Ni liom Féin’ dat evolueert in een zangpartij die associaties oproept met de rauwheid van Rachid Taha. In ‘Last Mile Home’ gaan ze nog een stapje verder door sterk tegen de bluesritmiek aan te gaan leunen. En de groep blijft erin slagen op creatieve wijze verder te gaan innoveren op de Ierse muzikale bouwgronden, getuige de bloemlezing uit ‘GAMBLERS’ BALLET’ (2007), waarbij in het met een stevige beat ingezette ‘Leath ina dhiadh a hocht’ Ierse vioolmelodieën hun weg vinden in een uitnodiging ten dans met een barokke evergreen waarvan de naam me nu even ontsnapt of elektrische gitaar en samples (opgebouwd door vroeger groepslid (1987-1991) Karl Odium) op de proppen komen in ‘Electric Landlady’, of dan opnieuw gewoon ‘puur’ Iers gaan klinken in ‘Cardinal Knowledge’. Tenslotte werd ook uit de soundtrack ‘THE SECRET OF KELLS’ één episch nummer weerhouden, getiteld,… ‘Epicy’.
KILA schiep een heel eigen stijl binnen de wereldmuziek, die met zijn grensoverschrijdende uitdagingen over de hele wereld gesmaakt wordt. Zonder consessies te doen en zonder terug te vallen op traditionals zetten ze een zelfgecomponeerde Ierse sound neer, die vervolgens ondermeer in arrangementen en keuze van de supplementaire instrumenten gekruid wordt met instrumentale specerijen uit de vier windstreken. Voor deze verzamelaar brachten ze daarenboven een heel goed uitgelezen staal van hun muzikale interesses naar voor, een heel goede ‘Rogha’ (Iers voor ‘keuze’), zondermeer aan te bevelen als eerste kennismaking voor wie nog geen fan was.
De groepsleden :
Rónán Ó Snodaigh : bodhrán, djembe, congas, bongos, gitaar en zang
Rossa Ó Snodaigh : tin whistle, low whistle, klarinet, bazouki, mandoline, bones en zang
Colm Ó Snodaigh : flute, tin whistle, gitaar, saxofoon, percussive en zang
Lance Hogan : gitaar, drums en zang
Brian Hogan : basgitaar, contrabass en zang
Dee Armstrong : viool, altviool, dulcimer, accordion en bodhrán
Eoin Dillon : uileann pipes, tin whistle, low whistle, shakers en zang
Meer informatie :
Tekst: Sefafolk