NA H-ÒGANAICH – GUN STAD (Macmeanmna, SKYECD 53) 2009 – 47:53
Dienen we revival-albums onder te brengen in het vakje nostalgie ? En zo ‘ja’, is daar dan iets fout mee ? Soms wel, en soms ook helemaal niet. Is het antwoord ‘neen’, dan is het aardig om te horen of de aanpak van een revivalgroep de tand des tijds weet te doorstaan. We merkten op dat dit voor groepen als Steeleye Span zeker het geval is. Ook voor deze… ?
Het trio werd ergens in het begin van 1971 opgericht in Glasgow, waarbij de naam verwijst naar het Schots Gaelic voor ‘de jonge’, vaak vertaald als ‘jong bloed’. Het verhaal begon bij Mod Gold Medaillewinnares en zangeres Margaret MacLeod die kennis maakte met gitarist Noel Eadie. Ook haar broer Donnie MacLeod was reeds aardig aan het jengelen op gitaar en ze besloten dat jaar als trio deel te nemen aan de Folk Group competitie aan het Royal National Mod, een wedstrjld die ze glansrijk wonnen, met twee songs van de toen vrij onbekende Murdo Macfatlane (1901-1982), bijgenaamd de “Bàrd Mhealaboist” (de bard uit Melbost), Ze konden onmiddellijk rekenen op een schare trouwe fans. Het jaar daarop verdiepten ze zich nog wat meer in zijn repertoire en wonnen met hun interpretatie van zijn ‘Mi le m’Uilllinn’ de New Song competitie van het Pan-Celtic Festival in het Ierse Killarney, hun eerste internationale stapje in de wereld. Tussen 1972 en 1975 leverden ze met de regelmaat van de klok een drietal vinylplaten (‘The Great Gaelic Sound of Na h-Òganaich’ (1972), ‘Gael Force Three’ (1973) en ‘Scot-Free’ in 1975) af. Twee gitaristen en een zangeres was in die periode niet onmiddellijk de meest voor de hand liggende formule om door te breken. En toch… ! Een eerste overzees avontuur in 1976 werd een duo-ervaring daar Eadie zich als lesgever niet kon vrijmaken. Toen broer en zus terugkwamen bleven ze aanvankelijk als duo werken, gebruik makend van gastmuzikanten. Het oorspronkelijke trio kende in de voorbije decennia geregeld gelegenheidsreunies, waaronder op het Fèis nan Còisir in Stornoway en Celtic Connections in Glasgow (2007). Margaret bleef ondertussen zingen met accordeonist Billy Anderson, Donnie was vanaf de jaren tachtig een vrij populaire TV-figuur binnen het Gaelic TV kinderprogramma ‘Dotaman’ (BBC Scotland) en Noel bleef vanaf 1978 trouw lesgeven op Isle of Lewis.
Hun kracht school of schuilt vooral in de combinatie van de schitterende stem van Margaret, gekoppeld aan Donnies podiumpresence, Noel’s meesterschap op het gebied van arrangementen en de hedendaagse Gaelic liederen van Murdo Macfarlane, die via hen klassiekers werden binnen het Keltische repertoire, waar ze anders wellicht ergens ongezongen zouden liggen te vergelen. Eigenlijk worden ze gezien als de padbeëffenaars voor supergroepen als RUNRIG en CAPERCAILLIE. Niemand minder dan Donnie Munro zegt van hen dat ze zowat iedereen beïnvloed hebben, aan alle opkomende groepen nieuwe ideëen leverden, en de waaier van mogelijkheden enorm wisten uit te breiden.
Van hen ligt het kersverse album ‘GUN STAD’ in de rekken, met een grondige herwerking van een aantal van hun succesnummers, hun waarbij de productie overigens in handen lag van Mick MacNeil van de SIMPLE MINDS. Een volle strijkerssectie (of is het een keyboard-equivalent, het booklet levert geen uitsluitsel) opent in ‘Màl na Mara’ (‘De prijs van de zee’,… is groter dan die van het land), de eerste compositie die ‘The Melbost Bard’ Murdo MacFarlane afleverde, en voert ons meteen in de vroege ENYA-sferen. Meteen is een toon gezet die ons toch wel wat verder voert dan twee gitaren en een vrouwenstem. Soberder van stijl, en wel uitdrukkelijker steunend op het basisinstrumentarium, hoewel ook hier de keyboardbacking (van Mick MacNeil) niet ontbreekt is de traditionele liefdesballade ‘Tha m’eudail Is m’ aighear ‘s mo ghràidh’, waarna het tijd is voor een a capella ingezette regelrechte evergreen, het populaire schipperslied ‘Fear a’ Bhàta’ (‘De bootsman’), dat beloftevol inzet, maar misschien wel wat aan sterkte inboet wanneer synthezisergestrijk de begeleiding inzet. Natuurlijk mocht ook een staaltje van de typische ‘mouth music’ van de eilanden niet ontbreken, getuige het bij momenten van een stevige beat voorziene ‘Sabhal Iain ‘Ic Ùisdean’. Terug naar MacFarlane dan met het nostalgische samenzang in het migratielied ‘S fhada leam an oidhche gheamhraidh’, waarin hij de hunker bezingt om vanuit het verre Canada terug te kunnen keren naar Isle of Lewis. Het trio komt vooral sterk en puur naar voor in de zuiver op gitaar begeleide songs zoals ‘Òran Cladaich’, een zeekustlied dat op het ritme van de sikkelslagen, met hevige akkoordhalen, het oogsten van het zeewier (voor de bemesting) evoceert. Ook ‘Mhòrag, leat shiùbhlainn’, dat zowel in instrumentatie, inclusief electrische gitaar als in zangstijl sterk aan STEELEYE SPAN doet denken, doorstaat duidelijk de kritische toets. Terug naar de traditionele ‘mouth music’, de typische ‘tongdraaiers’ die vanuit ritmische dansmelodieën ook de eigen taal levendig dienden te houden in de 18de eeuw, in ‘Puirt a Beul’. Die tendens tot taalbehoud klinkt vaker door in de poëzie van MacFarlane, soms heel subtiel, soms ook heel militant zoals in ‘Cànan nan Gàidheal’ dat uitnodigt om fierheid te tonen omtrent het Gaelic. Hoe mooi metaforen kunnen zijn getuigt vervolgens een ander MacFarlanelied, ditmaal een liefdes- en afscheidslied bij het vertrek van de zeeman die zijn verloofde een huwelijksgeschenk van Chinees porcelein belooft bij zijn terugkeer, ‘Mi le m’ uilinn air mo ghlùin’ (een huzarenstukje, lijkt me). Een beetje overproduced is dan weer de ‘Plòidh le Puirt’, opnieuw ‘mouth music’, maar ditmaal met een orkestrale keyboardbegeleiding, dat snel een muzakgevoel oplevert. Een betere balans tussen traditie en orkestratie vinden we in het patriotisch lied van Mairi Mhòr nan Oran, Mary MacPherson, de vrouwelijke bard van Skye. ‘Voer het vaandel en verdedig je cultuur’ is haar leitmotief in ‘Eilean a’ Cheò’. Zuivere liefdesretoriek treffen we aan in het meeslepende ‘Aodann Strathbhàin’, een ballade die zich ontwikkelt als een vraag- en antwoordlied en op die manier ook enkele aardige duetten oplevert. Margaret Fay Shaw slaagde erin een heel eigenzinnig ritmisch lied, ‘Ars an Gobha “Fuiricheamaid”’ uit de orale traditie van Uist voor het nageslacht te bewaren en levert zo aan het trio een gesmaakte kans om nog eens a capella uit te pakken, een pareltje waartegenover de alweer met een dikke syntheziser-saus overgoten evergreen ‘Cosich, a rùin’ het niet kan afleggen.
Wat gemengde gevoelens dus bij dit revivalalbum dat zeker met grote onderscheiding geslaagd is in de akoestische sets, maar waarbij ik persoonlijk de inbreng van syntheziserfreak Mick McNeill neig te ervaren als overshoot in de productie. De inbreng van een effectief garnizoen gastmuzikanten zou hierbij wellicht beter op zijn plaats geweest zijn. Nu klinkt het allemaal wat artificieel en soms wat teveel gericht op (goedkoop) effect, waardoor sommige nummers dreigen voorbestemd te zijn om een sfeer te scheppen die de kooplust in warenhuizen aan weet te moedigen. Een voldoende vormt het eindresultaat.
De groepsleden :
Margaret MacLeod : zang
Noel Eadie : gitaren
Donnie MacLeod : gitaren
Mick MacNeill : keyboards en productie
Meer informatie :
WWW.GAELICMUSIC.COM
www.myspace.com/oganaich
Tekst: Sefafolk