GROEF – Des avonds in klein maneschijn (APPEL REKORDS, APR 1322) 2010 – 58:55
Guy Roelofs vormt de bezieler van GROEF, een project waarmee hij niet aan zijn proefstuk is. Hij voelt zich zowel thuis in de folk en pop en is oprichter van groepen als TSJANE (wereldmuziek der Lage Landen) en CADANS DER GETOUWEN. Voorts vinden we hem terug MAM, die Nederlandstalige pop brengt, het Iers traditionele MOIRA, en in de Nederlandse folk-popband GROND. Inéén van deze gedaantes versleet hij reeds podia op ondermeer Dranouter, Folkwoods en Rudolstadt en blijft hij een graag geziene protagonist in diverse Nederlandse en Vlaamse theaters.
Naast zijn performante zijde laat hij zich ook geen kans ongelegen om zijn verzameling volksmuziek uit de Lage Landen uit te breiden en te verdiepen. Logisch gevolg is dan ook dat hij zich als specialist in dit repertoire, naast het Ierse en het Bretoense, een stevige reputatie opgebouwd heeft als docent in ondermeer de muziekschool ‘de Muzen’ te Roosendaal’ en de ‘Stedelijke muziekschool Tilburg’. Ook de Stichting Volksmuziek Nederland is hem reeds jaar en dag erkentelijk voor de talloze cursussen die hij er verzorgt. Als producer tenslotte werkte hij zijn eigen FUAIME Studio uit, gespecialiseerd in het opnemen van akoestische muziek.
Eerst een woordje over het ontstaan van GROEF, anno 2007, waar op de organisatie van het Folkwoods Festival aanstuurde op het samenbrengen van een uitgebreide bezetting, die uitgenodigd werd om vooral dansbare traditionele muziek uit de Nederlanden op het podium neer te planten. Een kolfje naar de hand van Roelofs die telkens weer uitdagingen zoekt in het afstoffen van oude melodieën en liederen. Het fel gesmaakte resultaat op de editie 2008 vroeg naar een cd-opname. Evenwel met een andere bezetting dan deze die op het festival zelf verscheen, leidde dit tot ‘DES AVONDS IN KLEIN MANESCHIJN’, waar vijf Belgen, vijf Nederlanders, vijf mannen en evenveel vrouwen, variërend in leeftijd van 19 tot 60 hun schouders onder zetten. Naast Roelofs is er allereerst Jenny van Diggelen die het reeds een twintigtal jaar uitfluit op tin-whistle en (houten) traverso en zich dan ook als een vis in het water voelt binnen het Ierse en Keltische repertoire, waarin ze zich ondermeer laat inspirireren door Jean-Michael Veillon, Emer Mayock en Silvain Barou. In het instrumentale luik uit de Vlaamse hoek komen de zachte winden uit ORION ons tegemoet gewaaid met het bekende accordeongeluid van Raquel Gigot, Brussels oertalent van Spaans-Belgische origine, die zich in heel wat muzikale vijvers begeeft, gaande van de Parijse musette tot het traditionele Oost-Europese, Scandinavische, Schotse, Ierse, en uiteraard ook Belgische repertoire, en uiteraard ook met oprichter en violist (en nyckelharpaspeler) Rudy Velghe,eveneens freakend op de Ierse muziek, hoewel hij ook graag een oogje werpt op bluegrass, jazz en balkanmuziek. De Nederlanders leveren verder de snarensectie, met uit de hip hopscene afkomstige Arjan van Tichelt op gitaar en Martin Vermeer (basgitaar en contrabas), en met de benjamin van de groep, de negentienjarige Jiroh Matulessy ook de drums en percussie.
Drie Vlaamse vroege tachtigers staan tenslotte weer in voor zang en backing, met name Nele Martens (ook terug te vinden bij TSJANE en de a capella groep SPU:N), Evelyne Smits (eveneens uit SPU:N) en Kristien Segers.
Kern van het opzet bestond erin om dans- en liederenrepertoire op elkaar af te stemmen, binnen een brede instrumentale bezetting die een ruime vrijheid aan arrangementen toelaat, om zo breedspectrum balfolkmuziek te scheppen. Een groot deel van het dansrepertoire werd aanvankelijk immers ook gedragen door begeleidende teksten. Daar dit facet binnen de recente balfolkrage vaak wat verwaarloosd dreigt te worden wou Roelofs met dit project een inhaalbeweging maken en dit levert een vrij uniek geluid op, een mix van frisse, jeugdige zang, ongeëvenaarde techniciteit binnen de traditie (vanuit de Orion-hoek), afgeroomd met een eigentijdse gitaar- en ritmesectie,… en af en toe een snuifje keyboards. Een dans-cd vooronderstelt langere nummers (anders heb je geen tijd om in de maat te komen). Op dit album vinden we dan ook een tiental vijf-minuters, waarbij de arrangementele aanpak de uitdaging bij uitstek vormt om niet in verveling te vervallen.
Die ontmoeting tussen oud en nieuw laat zich onmiddellijk voelen bij de set andro’s, ingezet door een traagzaam ingezongen ‘Jan mijne man’, snel in fermer tempo hernomen onder een droge drumbeat, en spelend met een traditionele en een ‘Groef’ andro, vooral ondersteund door accordeon en gitaar,… We zijn meteen vertrokken en laten ons meedrijven op een set instrumentale scottishes ‘Suite Marguerite’, alledrie van de hand van Roelofs en genoemd naar de dochter van Rudy en Raquel, waarin synthetische beats stampvoetend inspelen op het pure viool- en trekzakspel, Ook in de cercle ‘Mitte Confitte’ wordt vocaal (met een tekst die gezien het dansante karakter niet als te hoogstaande poëzie – maar eerder als kinderrijmelarij - dient verkocht te worden) aan instrumentaal geweven. Vooral de overtuigende gitaarrifs verlenen een hedendaags cachet aan deze traditional. In het tweede, instrumentale deel (‘De snurker’) van deze set belanden we steil in Ierse sferen. De dansset wordt verdergezet met een, strak op ritme geslagen vrij traag (het lijkt wel of er een electronische ritmebox aangesloten werd) gespeelde wals in vijf tijden, door de luisteraars op Folkwoods vereerd met de naam ‘Wals in the woods’, die weinig variaties in de instrumentale arrangementen toelaat. Met ‘Wiegellied’ wordt enigszins verwarring gezaaid daar we hier vermogen te genieten van een set van drie bourrée in drie tijden, waarvan de titel van het eerste en laatste luik verwijzen naar de kinderen van Gilles Rullman, terwijl de tekst van het eigenlijke ‘wiegelied’ ontleend werd uit het boek ‘We hebben gezongen en niets gehad’ van Rolf Janssen. En met ‘De muizenplaag’ blijven we in bourréesferen, ditmaal wat sneller en swingender in twee tijden, een volledig instrumentale set die ingezet wordt met de Franse traditional ‘Les trois canards’, vooral gedragen door accordeon en ritmesectie, terwijl viool en fluit een prominentere plaats in gaan nemen in de daarop volgende onderdelen. ‘De zwarte ruiter’ verleidt ons vervolgens terug tot een met pathos door het zangtrio van dienst ingezongen wals, glijdend op weer een ander verhaal van een vrouw die haar ziel aan de duivel verkoopt, en werd opgetekend door Harrie Franken, die ondermeer een standaardwerk afleverde met het boek ‘Liederen en dansen in de Kempen’. Even is de vroege LAÏS niet veraf. Heerlijk zijn vervolgens de set traditionele hanter dro’s die alledrie uit de verzameling ‘Toniou breiz-izel’ van Polig Monjarret. Meer dan bij wals, scottish of polka bijvoorbeeld staan de muzikanten meer onder druk om doorheen frisse arrangementen de rondedans boeiend en levendig te houden. Ook in deze proef slaagt GROEF alvast met glans. En met het alweer, ondermeer door de inbreng van een dwingende beat, heel eigentijdse geïnterpreteerde ‘Onder de lindeboom groene’ belanden we in de verzameling ‘Chants populaires des Flamands de France’ van C. de Coussemaker’ die de gezongen aanzet vormt voor nog twee door Roelofs zelf gecomponeerde jigs. Ook hier gaat voorzangster Nele Martens telkens in een onderhoudende dialoog met de tweede lijn, gevormd door Evelien Smits en Kristien Segers. In schoonheid wordt we tenslotte plechtstatig uitgefloten met de koningin der volksdansen in ‘Tjade’, een mazurka, die samen met de ritmebox pas in de herneming het gezelschap krijgt van de andere instrumenten.
We dienen te concluderen dat deze cd, gedragen door heel professionele muzikanten, die voor een deel althans reeds jaar en dag ook verwikkeld zijn in het muziekpedagogische facet van de volksmuziek, in ruime mate beantwoord aan de doelstellingen die Roelofs & co zich stelden. Deze vrij uitgebreide bezetting biedt breed uitgesponnen arrangementen op typische danssetmelodieën en –liederen (!), dit laatste om het gezongen folkbal ook wat meer bij danser, kijker en luisteraar te brengen. In de danssets zitten doorgaans traditionele nummers verweven doorheen wat we, vooral door Roelofs geschreven, neotraditionele dansmelodieën kunnen noemen. Daarbij krijgen ook de traditionele dansen een behoorlijke opfrisbeurt, waarbij er evenwel zorgvuldig over gewaakt wordt om niet te grensoverschrijdend te gaan interpreteren. Essentieel blijft immers het fundamentele dansritme dat stevig tot strak aangehouden wordt in het percussieve luik. Geen al te verregaande avonturen, geen vrije improvisaties in de overgangen, maar heel verfijnde, haast ‘klassiek’, soms haast een ietsje onderkoeld gespeelde, dansen uit de Nederlanden. Deze cd biedt zeker een meerwaarde in deze niche van de hedendaagse folkbeweging.
De groepsleden :
Jenny van Diggelen : tin-whistle, traverso
Raquel Gigot : trekzak
Rudy Velghe : viool, nyckelharpa
Guy Roelofs : bouzouki, nyckelharpa, viool en keyboards
Jiroh Matulessy : drums en percussie
Arjan van Tricht : fender rhodes
Martin Vermeer : electrische bas, contrabas
Nele Martens : zang
Evelien Smits : zang
Kristien Segers : zang
Meer informatie :
Tekst: Sefafolk