Ghalia BENALI, GHALIA BENALI sings OM KHALTOUM, Zimbraz MWCD 3038, 2010 (verdeling Music & Words; Ghalia Benali is te boeken bij Dirk Seymus van Kultuurburo Link; dirk@link-kultuurburo.be)
Ere wie ere toekomt en tijd om uit de biecht te klappen. In het Leuvens kot in de Mechelsestraat waar ik het eerste jaar univ trachtte te overleven (1971, can you imagine?), huisde naast een vloot Ruandese studenten, die het gebouw vulden met een niet te miskennen maniokaroma, ook een Libanees, Maurice, die heden ten dage, na jaren artsenij voor de armere allochtonen van Brussel en eens de burgeroorlog voorbij, als dokter in zijn thuisland werkt, trouw aan de belofte die hij deed bij de dood van zijn vader. Maurice was een charismatische figuur en leerde me o.a. een en ander kennen: naast (overigens Tunesische) harissa voor op de spaghetti, ook Marcel Khalifé, de nog immer invloedrijke Libanese ‘volks- en protestzanger’, en zangeres Fairouz, toen op het hoogtepunt van haar kunnen, een icoon van de Arabische muziekwereld. De cassettes met hun muziek die ik aangekocht had, verdwenen overigens even vlug weer in de handen van ‘vrienden’, niet toevallig, vermoeden we.
Maar er bleek een zo mogelijk nog veel belangrijker zangeres te zijn, die in de Arabische landen een mythische status had bereikt, misschien enkel te vergelijken met wat het westen toedicht aan Edith Piaf of Jacques Brel, maar dan gekoppeld aan een verering die de cultus rond Elvis Presley gemakkelijk naar de kroon steekt: de Ster van de Oriënt, Uum Kulthum Ebrahim Elbetagi. Haar naam wordt op vele manieren getranscribeerd: je vindt ook Umm Kolthoum, Om Kalsoum of Koultoum of Kalthoum, Oumme Kalsoum, Omme Kolsoum, enzovoort. Ghalia Benali houdt het op Om Kalthoum. Deze dame was, toen haar naam voor het eerst viel in onze buurt, mogelijk al de zeventig voorbij (geboortedatum onzeker) en dus al in haar nadagen. Ze overleed in het jaar dat ik afstudeerde, 1975, een gebeurtenis die in het westen geruisloos voorbijging. 3 februari werd een dag van rouw in de Arabisch sprekende landen. Bij haar begrafenis vulden de straten van Cairo zich met meer dan een miljoen mensen.
Vijfendertig jaar later is de bewondering onverminderd, ook bij de jongeren. Die adoratie betreft haar uitzonderlijke stem (een ongelofelijke schoonheid en kracht, en een ongeëvenaard bereik) en de interpretaties van door een keur van componisten veelal voor haar geschreven liederen, die vaak over bedrogen en verloren liefde gaan en die live gerust meer dan een uur konden duren (er zijn gelukkig naast het vele studiowerk sinds 1926 zo’n dertig concertregistraties bewaard gebleven; vanaf 1935 was ze elke eerste donderdag van de maand op de radio te horen, alras in het hele Midden-Oosten) Van die meer dan zevenhonderd liederen (tweeëntwintig dichters en dertien componisten; ze schreef er zelf ook twee) werden vele ware klassiekers in alle lagen van de bevolking.
Op het net (o.a. in het Wikipedia artikel ‘Umm Kulthum’) vindt de wakkere google-aar heel wat informatie rond deze diva, die ook in de westerse wereld bewonderd werd en wordt door even verscheiden artiesten als Bob Dylan, Maria Callas, Nico, Bono en Led Zeppelin, om maar enkele populaire namen te citeren die men graag als referentie naar voor schuift. Iemand als La Callas had uiteraard het volste recht van spreken! Om Kalthoum bleef heel haar leven trouw aan de maqams van haar jeugd: nooit liet ze westerse invloed toe. Ze trad maar twee keer op buiten de Arabische wereld, waarvan één keer in de Parijse Olympia Ze vond haar gelijke niet tenzij in de jong gestorven Asmahan. Daar doen overigens nogal wat cowboy verhalen de ronde over, van het niveau van onze tabloids: spionage tijdens de oorlog, jaloezie, verdachtmakingen. Maar ooit namen ze samen op en er is geen aanwijzing dat er tussen beiden animositeit bestond. Ze vertoefden gewoon in andere leefwerelden. Dichter bij de waarheid is dat het lot koos voor Om Kalthoum: haar platen gaan nog steeds over de toonbank a rato van één miljoen stuks per jaar. Zelfs bij de joden in Israel is de bewondering groot en massaal. Sinds 2001 is er in Cairo een museum, waar ‘alles Om Kathoum’ tentoongesteld staat.
De houding tegenover zo’n superster is begrijpelijkerwijs dubbel: ze is enerzijds een zangeres van zo’n mythische proporties dat je daar ‘van af blijft’. Anderzijds is haar repertoire onlosmakelijk deel gaan uitmaken van het Arabische culturele erfgoed. Ze is zelfs visueel aanwezig in vele gezinnen. Ghalia Benali drukt het zo uit: ‘Ik heb lang geloofd dat ze mijn grootmoeder was, want haar foto stond op de kast in de slaapkamer van mijn ouders. Ik nam haar echter kwalijk dat ze ons nooit een bezoek kwam brengen en verkoos daarom mijn eigen grootmoeder. Maar toen ik vijf was luisterde ik naar ‘Al Atlal’, gebiologeerd door de mysterieuze androgyne stem en het hypnotische draaien van de plaat aan 33 toeren per minuut.’ We citeren dit, niet alleen omdat dit een perfect excuus is om toch een hommage aan de grote diva uit te brengen, maar ook omdat de anekdote wijst op de plicht om ook de volgende generaties minstens de kans te geven kennis te maken met de unieke contralto.
En niet alleen de volgende generaties, ook de andere culturen van deze aardkloot zijn gebaat bij een tribuut aan wat je gerust ‘werelderfgoed’ mag noemen. Daarom alleen al is ‘GHALIA BENALI sings OM KHALTOUM’ een release die veel aandacht verdient. Benali is een goeie zangeres met veel podiumpresence, maar heeft niet de stem en de techniek van Om Kalthoum, bij lange niet, en dat weet ze ook wel. Maar daar gaat het bij zo’n hommage niet om. Benali weet immers verdomd goed waar het om draait in dit oeuvre omdat het integraal deel uitmaakt van haar background en haar leefwereld, en alvast deze jongen is niet in staat om diep genoeg door te dringen in de finesses van de Arabische poëzie en muziektheorie en daarom niet gekwalificeerd om over de technische aspecten een oordeel te vellen. Maar in voorbereiding op dit stuk doken we toch maar lekker de cd collectie in, iets wat we anders weer niet zouden gedaan hebben, en diepten o.a. ‘Omme Kolsoum. La diva de la chanson orientale’ op (Disky ASI 856282, 1999), waar we ons dan ook in onderdompelden, jazzbassist Vincent Noiret achterna, die als deelnemer op deze cd als neofiet in de Arabische cultuur de confrontatie durfde aangaan: ‘…il ne reste plus qu’à suivre l’ivresse, oubliant toutes mes références antérieures’. Want alle superieure techniek ten spijt, dit is in de eerste plaats emotie en dat is van alle volkeren en tijden.
Op ‘GHALIA BENALI sings OM KHALTOUM’ géén groot orkest met vloten violen, zoals bij de Egyptische, maar fijne musici: naast Noiret, nog oud speler Moufadhel Adhoum en percussionist Azzedine Jazouli (uitsluitend op de rek, tamboerijn met koperen cymbaaltjes), meer niet. Uiteraard ontbreekt bij de vijf stukken ‘Al Atlal’ niet, bijna 23 minuten pure schoonheid: ‘O liefste, geef me te drinken en drink op de ruïnes van wat niet meer is en les mijn dorst, zoals tranen dorst kunnen lessen. Hoe werd deze liefde een fait divers, een anekdote tussen zovele andere.’ In de vroege jaren negentig vertrouwde de Kretenzische componist Yannis Markópoulos ons toe dat de Egyptische zangeres deel uitmaakte van de soundtrack van zijn jeugd. In het dicht bij Afrika gelegen Ieràpetra spuidden de radiozenders van over de Middellandse Zee steeds weer de gezangen van De Ster van de Oriënt, wat op Yannis’ muzikale ambities een beslissende invloed had. Van die tover vind je sporen terug op deze ‘GHALIA BENALI sings OM KHALTOUM’, en da’s geen kleine verdienste.
Antoine Légat (11 08 10)
PS Een goeie Nederlandstalige biografie is ‘Oum Kalsoum’ van Mohamed el-Fers, in 1991 uitgebracht bij Uitgeverij Jan Mets / Passatempo (ISBN 90 5330 037 6) Je kan ze ook online vinden.