Home > woord/beeld > Interview > Interview met HUBERT BOONE

> zoek...
> meer zoeken...
 

Interview met HUBERT BOONE
Over volksmuziek en nog veel meer volksmuziek, en ook over zijn jongste geesteskind: het Brabants Centrum voor Muziektradities (Interview)

Hubert Boone is zonder twijfel een van de belangrijkste onderzoekers van volksmuziek in de lage landen. Hij verzamelde doorheen zijn leven zeer veel oude melodieën uit onze gewesten en verrichtte daarmee werk van onschatbare waarde. Hubert deed onderzoek als professioneel medewerker van het Muziek-instrumentenmuseum en schreef publicaties over bijna verdwenen Vlaamse en Waalse volksinstrumenten. In zijn vrije tijd deed hij veldwerk in Vlaanderen, maar ook tijdens zijn vele reizen in Oost-Europa. Het verspreiden van de kennis van de traditionele volksmuziek is tot op vandaag Huberts grootste levensmissie en dat siert hem. Vorig jaar nog kwam zijn laatste meesterwerk uit: ‘Dansmelodieën uit de Vlaamse volksmuziektraditie’ bevat meer dan 600 traditionele melodieën die Hubert gedurende zijn leven optekende. En binnenkort is er het Brabants Centrum voor Muziektradities, het nieuwste geesteskind van Hubert. We spraken met een immer gedreven Hubert Boone over zijn leven, de volksmuziek en zijn onderzoek.

OVER HUBERT BOONE

Wie is Hubert Boone?
Ik ben in 1940 in Nederokkerzeel geboren en woon daar nog steeds. In 2010 werd ik zeventig jaar. Ik ben afkomstig uit een familie van schrijnwerkers en boeren. Vanaf mijn 14 jaar stopte ik met de school om in de schrijnwerkerij van mijn vader te werken. Dat werk trok me aan, maar het was crisis en er was niet genoeg werk. Mijn oudere broer heeft de schrijnwerkerij overgenomen en ik moest iets anders zoeken. Tussen mijn 12 en mijn 17 jaar speelde ik bij plaatselijke fanfares. De dirigent van die fanfare zei dat ik best naar het conservatorium kon gaan omdat ik zo goed muziek kon onthouden. Zo kwam ik op het conservatorium van Brussel terecht.

Vonden je ouders het goed dat je naar het conservatorium wou?
Voor mijn ouders was dat oké omdat ze zagen dat er iets mogelijk was. In het begin was het zoeken want ze wisten niet wat voor een beroep ‘muzikant’ was. Bovendien kwam ik in de problemen omdat ik geen blaasinstrument meer mocht spelen. De druk die bij het blazen op mijn ogen ontstond, was te groot. Ik leerde dan noodgedwongen toen ik 18 jaar was op zeer korte tijd altviool spelen. Altviool is gemakkelijker om te spelen dan viool omdat je minder complexe solopartijen moet spelen. Een instrument als viool of piano was uitgesloten omdat ik er  te laat mee begonnen was, maar altviool dat ging nog. Ik was een goede leerling en kon met gemak volgen op het conservatorium. Ik heb er 6,5 jaar een klassieke opleiding gevolgd. Na mijn studie vond ik ook gemakkelijk werk, want zoveel altviolisten waren er niet. Ik kon aan de slag bij de Koninklijke Vlaamse Opera in Antwerpen en werkte daar 2 jaar.  

Hoewel je een klassieke opleiding genoot, bleef volksmuziek belangrijk voor jou. Waarom?
Ik ben met volksmuziek opgegroeid. In de fanfare leerde ik vanaf het begin polka’s, walsen, scottischen, mazurka’s en verenigingsdansen. Ik kom uit de tijd van Elvis Presley, maar die traditionele fanfaremuziek sprak me ontzettend aan. Het is zo verwonderlijk hoe die eenvoudige dorpsmensen zeer creatief samenspeelden en er zo spontaan heel knappe akkoorden en orchestraties ontstonden. Ik was erdoor geboeid hoe de muzikanten die muziek maakten zonder dat ze ergens opgeschreven stond of zonder dat deze mensen kennis hadden van harmonieleer. Dat fascineerde mij enorm. (Hubert laat enthousiast een stukje horen van fanfaremuziek uit zijn dorp uit 1979.) 

Het kernwoord in je leven is ongetwijfeld ‘volksmuziek’. Daarin was je onderzoeker, maar ook instrumentenliefhebber, museum-medewerker, muzikant, auteur, leermeester en reiziger.  Wat ben jij het meest?
Ik voel me in de eerste plaats onderzoeker. Nu mijn boek er is zou ik me ermee kunnen gaan bezighouden aan muzikanten les te geven. Ik heb ooit nog vioolstage gegeven. Het is iets waar ik tot nu toe geen tijd voor heb gehad, maar het staat nog open, het zou nog kunnen gebeuren nu. Ik dans ook graag. Ik wil zelf geen dansen gaan aanleren, maar ik kan wel kijken of het juist gedanst wordt. Als verenigingsmens heb ik dans- en muziekgroepen opgericht, waaronder de volksdansgroep De Vlier eind 1967. Dit is in mijn leven een belangrijke factor en iets waar ik nu weer meer bezig ben. Hier in mijn eigen streek kan ik een en ander doen, maar ik kan dit niet in heel België.

Was je achtergrond in de schrijnwerkerij een stimulans voor je om zelf instrumenten te gaan bouwen?
Doedelzakken heb ik leren maken in 1967. Samen met mijn vader maakte ik in de schrijnwerkerij een hommel. Maar eigenlijk wilde ik vooral onderzoek doen. Instrumenten bouwen en onderzoek doen gaat niet samen, dat vraagt teveel tijd.

Ben je in de eerste plaats Nederokkerzelenaar? Brabander? Vlaming? Belg?
Ik ben een echte Brabander en een goede Belg. Ik heb ook goede contacten met Walen. Ik heb veel gereisd maar kom altijd terug naar hier.


ONDERZOEK

Hoe ben je als onderzoeker beginnen werken?
Ik kende zo’n 20-tal melodieën uit ons eigen fanfare-repertoire en ging bij andere fanfares kijken. Soms kom je dan iets heel verrassends tegen, een bezemdans in een oude modus bijvoorbeeld. En zo ben ik stilaan beginnen verzamelen en groeide de interesse. Omstreeks 1956 ben ik voor het eerst dingen beginnen opschrijven. Rond 1962 voelde ik me geïnspireerd door Bella Bartok en Zoltan Kodaly die in Oost-Europa op zoek ging naar volksmuziek en wilde dat bij ons ook doen. In het conservatorium in Brussel had niemand interesse in volksmuziek, behalve de leraar fuga, die was afkomstig van Binche en had er daardoor een beetje feeling mee.

In 1968 gaf ik mijn beter betaalde job bij de opera op om voor het Muziekinstrumentenmuseum van Brussel te gaan werken als wetenschappelijk medewerker. Dat heb ik tot aan mijn pensioen gedaan. Melodieën en instrumenten interesseerden me. In de Kempen had ik voor het eerst van mijn leven een vlier (hommel) gezien. In het museum hingen de enige twee overgebleven echte Belgische doedelzakken. Ze kwamen uit Henegouwen. Ik ging op onderzoek uit en ontmoette in dat dorp de dochter van de doedelzakspeler die toen ook al 92 jaar oud was. Ook naar o.a. mondtrom en hakkebord verrichtte ik onderzoek. Op die manier kon ik echt pionierswerk verrichten om ‘vergeten’ instrumenten terug bekendheid te geven in de Belgische volksmuziekwereld.

Is de volksmuziek in Oost-Europa rijker dan de onze?
Bulgarije houdt me al heel lang bezig, sinds 1964 had ik er goeie contacten met muzikanten en musicologen. De Bulgaren hebben fantastisch mooie traditionele polyfonieën. Maar vergis je niet, er zijn daar ook veel composities geschreven door een beperkt aantal componisten, die op basis van de traditionele muziek eigen composities maken, veredelde volksmuziek als het ware. In Oost-Europa is de volksmuziek veel langer populair gebleven dan bij ons. Daardoor heeft men er veel meer overgeleverd materiaal en veel meer interesse in. Maar wat we horen is vaak bijgewerkt door recente componisten.

Ik heb ook mooie herinneringen aan Armenië en Rusland. De muzikanten komen uit de dorpen, maar zijn allemaal gedegen muzikanten. Ze hebben een nationale stijl. Dat hebben de beroemde componisten uit onze westerse klassieke muziek niet, zij hebben weinig besef van wat traditionele muziek is. Componisten in Oost-Europa zijn, in tegenstelling tot westerse componisten, veel meer in voeling gebleven met hun eigen tradities. 

Waar ben je precies op onderzoek geweest in Oost-Europa?
Ik heb nooit langer dan 3 weken na elkaar in Oost-Europa gezeten. In totaal ben ik er meer dan 20 keer geweest. De eerste keer was in 1988 in de Sovjet-Unie, dan Moldavië, later Armenië. In 1992 maakte ik mijn eerste opnames in de Kolchozen en in Oekraïne (Karpaten). Ik was meestal goed voorbereid, had vanuit België contacten gelegd met muzikanten en met de plaatselijke conservatoria. Van daaruit vertrokken mijn zoektochten dan. Meestal ging ik alleen en als vrijwilliger, dit stond los van mijn job bij het instrumentenmuseum.

Folkfestival Dranouter heeft me wel een paar keer ondersteund, de groepen die ik ter plaatse vond, werden dan uitgenodigd voor het festival. De mooiste melodieën vond ik in Armenië en Midden-Rusland. De meest spectaculaire reis ging naar Zuid-Ossetië waar er oorlog geweest is, we waren er o.a. in een school nabij het stadje Djava (zie foto’s). Op het einde van het jaar komt er een compilatie-CD met de beste opnames die ik gemaakt heb.

Hier vind je een reeks foto's die ik tijdens mijn reizen in Oost-Europ maakte.

Wat zijn je mooiste herinneringen in je onderzoekswerk?
Ik zou eerder zeggen dat onderzoekswerk voor mij een marteling is geweest. Je wil iets afwerken, maar er komen steeds nieuwe interessante dingen bij. Het mooiste is eigenlijk de publicatie van mijn laatste boek ‘600 dansmelodieën uit de Vlaamse volksmuziektraditie’, het gevoel dat het af is. Er waren heel wat momenten dat ik dacht dat het boek er nooit zou komen. Het boek heeft 1,5 jaar in de drukkerij gelegen, men moest alleen maar op de knop drukken, maar het risico bleek te groot, men twijfelde of het wel verkocht zou worden. Maar het wordt behoorlijk verkocht en ze gaan eruit geraken. Dat is voor mij de grootste voldoening.

De tofste voldoening is natuurlijk ook dat ik die muziek kan spelen met een vast ensemble, vroeger bij het BRABANTS VOLKSORKEST en nu bij LIMBRANT en dat we dat min of meer kunnen doen op een manier die aanleunt bij de traditie.

Zijn er informanten waaraan je met goede herinneringen terugdenkt?
Er zijn een stuk of tien informanten waar ik nog altijd aan denk. De drukker van Kampenhout, Louis Hahn, komt dikwijls in mijn gedachten terug, hij stuurde me naar heel wat plaatsen. Een van mijn tofste vondsten was heel het repertoire van de Gilde van Humelgem, een gehucht van Steenokkerzeel. Ik ben ook jaren bezig geweest met het opzoeken van het carnavalrepertoire van Binche. En de vondst van de enige foto die er bestaat van een doedelzakspeler in België onder Ronse, zijn naam was Alphonse Gheux. In het binnenland heb ik veel toffe ervaringen.

Wat is het mooiste dat je ooit vond?
De oude verhuisliederen zijn erg mooi. De mooiste melodie die ik ooit vond was in Veerle Laakdal: ‘Naar Rozenland willen wij varen’. Het is een prachtig lied in de oude modus, met een uitzonderlijk bewaarde tekst. (zingt voor) 

Wat zijn je naarste herinneringen?
In Veerle Laakdal ben ik een keer weggejaagd met een riek achter me. De mensen bij wie ik langsging zeiden me dat ik hen beloofd had dat ze op televisie zouden komen en dat ik mijn belofte niet had gehouden. Ik ben toen moeten gaan lopen.

Sommige mensen probeerden me te chanteren. Er was een vrouw die nog veel wist, zij kende een melodie die niemand nog kende. Ik ben er 3 keer geweest, maar ze hield me aan het lijntje, ze wou dat ik werk zou zoeken voor haar dochter. Ik had haar verdorie vanalles moeten wijsmaken om toch maar die melodie los te krijgen, maar dat heb ik niet gedaan.

In Pulderbos ontmoette ik een oude vrouw die een bezemdans wou voordoen. Het kostte haar zoveel inspanning dat ze er bijna het leven bij liet. Dat was angstaanjagend.

Voor een hommel ging ik naar een oude man in Baal. Toen ik eraan kwam lag hij op zijn sterfbed en men vroeg mij om de pastoor te gaan roepen. Ik kwam natuurlijk dikwijls bij oude mensen terecht die hun einde voelden naderen en nog iets wilden doorgeven. Ook bij Josephine Piron uit Arc-Ainières, de dochter van de laatste doedelzakspeler, kwam ik terecht terwijl ze op haar sterfbed lag.

Voor de rest heb ik eigenlijk weinig slechte ervaringen. Soms waren er mensen van slechte wil die geld vroegen. In Rusland heb ik soms wel een klein beetje geld gegeven, maar hier nooit.

Is er nog werk voor onderzoekers die vandaag met volksmuziek bezig willen zijn?
Natuurlijk. Zij kunnen bijvoorbeeld analyses maken van de teruggevonden liederen, bijvoorbeeld over een bepaalde modus. Bij oude muzikanten uit fanfares ligt ook nog heel wat te rapen, het is nog niet gedaan, hier en daar zijn er nog.  Eindwerken en thesissen lopen helaas over een korte termijn, terwijl onderzoek in de volksmuziek vaak een werk van lange adem is.


VOLKSMUZIEK

Hoe oud is onze volksmuziek?
De schuttersgilden en hun muzikale tradities zijn al zeer oud, de schuttersgilde van Kampenhout is bijvoorbeeld 470 jaar oud. Muziek die in schuttersgilden en fanfares werd gespeeld heeft vaak oude wortels, al is het moeilijk om ze exact te dateren. In een fanfare werden ook moderne dansen als  tango, quickstep en foxtrot gespeeld. Walsen zijn bij ons binnengekomen op het einde 18e eeuw. Die oudste walsen zitten dicht bij de Duitse cultuur. De polka is hier gearriveerd kort na 1840 en kwam via Parijs uit Tsjechië-Duitsland. De mazurka kwam onder invloed van de menuet, de kadrils komen vanuit de contredansen. Zo mengde zich dat. De meeste van deze volksmuziek is tot ontwikkeling gekomen in de helft van 19e eeuw met de opgang van  de fanfares. De meeste melodieën die ik heb zijn in die periode tot hun evolutie gekomen. De overgeleverde liederen gaan alleszins verder terug in de tijd dan de instrumentale melodieën.

Hoe komt het dat je in Oost-Europa veel vocale polyfone muziek hebt opgenomen, terwijl je bij ons vooral instrumentale muziek vond? Zijn er in de Vlaamse volksmuziek geen polyfone tradities?
In de Vlaamse volksmuziek heb ik heel weinig polyfonie teruggevonden en dan nog was het heel rudimentair met hier en daar een noot die verschilde. Daarom denk ik dat dit bij ons amper of helemaal niet voorkwam. Het is wel merkwaardig dat er in onze, zeer sterke, instrumentale muziek wel veel meerstemmigheid zit, maar dat het in de zang niet aan bod kwam.

Je spreekt van een typische vierstemmigheid in die oude melodieën?
In volksmuziek uit fanfares vind je steeds een typische vierstemmigheid terug: er is een melodie, er komt een tweede stem bij, een begeleiding en een bas. Zo’n muziekstuk is een collectief, zeer gestructureerd, alleen het samengespeelde resultaat telt, niet wat elk apart speelt. Iedereen moet zich aanpassen aan de hoofdmelodie, wie die mag spelen is de grote man.

Ik was 15 en mocht al mee begeleiden, de akkoorden spelen. Iedereen moest in het akkoord blijven en kunnen horen of het klonk, ook al wisten zijn niet welk akkoord ze speelden. Als er unisono gespeeld wordt, moet je niet veel rekening houden met harmonie.  

Onze volksmuziek is een specifiek soort muziek met zijn structuur, ze werd in België van Noord tot Zuid op dezelfde manier begeleid, met eenzelfde structuur. Dat is er nu niet meer. Folkgroepen spelen nu meer individualistisch en intellectualistisch. We speelden met Limbrant samen met een Waalse groep, zonder te repeteren, maar we wisten wat we gingen spelen en voelden aan hoe we dat samen moesten doen omdat we de structuur van de muziek begrepen. Ook jazz is zeer gestructureerd, maar het is een andere structuur. De newfolkbeweging is die volksmuziekeigen structuur niet gewoon.

Waar komen de melodieën uit je nieuwste boek vandaag?
Van de 600 melodieën komen er bijna 400 uit Vlaams-Brabant, uit de streek tussen Zemst, Mechelen, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem, boven Tervuren en Leefdaal, richting Leuven, het Hageland en de Zuiderkempen. Verder ben ik tot in de provincies Antwerpen en Limburg geraakt. Ik ben overal geweest waar ik met de fiets kon geraken. Ik wilde de oude volksmuziek teruggeven aan de mensen, zodat ze de muziek uit hun eigen streek konden spelen.

Is de volksmuziek in Vlaams-Brabant rijker dan die in Limburg of West-Vlaanderen?
De rijkdom aan volksmuziek in Vlaams-Brabant is heel groot. Het trauma is dat er in streken als Limburg of West-Vlaanderen te weinig onderzoekers mee bezig zijn geweest. Dat is heel jammer. De rijkdom van de Brabantse volksmuziek is iets unieks. In bijvoorbeeld Bretagne is ook veel muziek genoteerd, maar ik meen dat de diversiteit van de genoteerde muziek bij ons rijker is dan in Bretagne.

Op welke basis heb je je selectie van 600 dansmelodieën gemaakt?
Ik heb niet zoveel geselecteerd. Het zijn de muzikanten van wie ik de melodieën heb geleerd, die de selectie maakten. In de kadrils heb ik wel keuzes gemaakt, die muziek is soms nogal eenvoudig en zeer functioneel: 8 maten vooruit, dan 8 maten achteruit, enzoverder. In melodieën die te dicht bij elkaar lagen heb ik ook geselecteerd. Maar dat is niet het enige argument, sommige dingen zijn lokaal interessant. Voor de fanfare van Winksele is het interessant dat ze de Bezemdans van Winksele kunnen spelen, ook al vind ik dit zelf misschien niet de interessantste melodie.

Ik heb ervoor proberen te zorgen dat iedereen iets aan de partituren kan hebben. Sommige stukken zijn virtuoze bravourenummers, in die mate dat het misschien niet meer mooi is, maar het is voor muzikanten en onderzoekers interessant om te weten dat ook dat vroeger kon. Maar ik heb er natuurlijk vooral ook gezorgd dat er heel veel goeie melodieën in zitten.

Hoe lang ben je aan dat boek bezig geweest? Je boek lijkt wel met de hand geschreven?
Het zijn melodieën die ik gedurende mijn leven verzameld heb. Met het redigeren van het boek zelf ben ik 2,5 jaar lang elke voormiddag heel gedisciplineerd bezig geweest om alle partituren over te schrijven. Ik ben ervoor op vervroegd pensioen gegaan om dit te kunnen doen en heb er mijn ogen mee kapot gemaakt. Op een zeker ogenblik, toen er al 300 partituren geschreven waren, heb ik gedacht mij een computerprogramma te kopen, maar daar zou ik dan ook weer een hele tijd me bezig zijn geweest om het onder de knie te krijgen. Bovendien is zo’n standaardprogramma niet aangepast aan mijn noden: bijpaalde symbolen, een doorstreepte boog bijvoorbeeld, staan niet in zo’n muziekprogramma. Als je dit allemaal moet bijprogrammeren, dan moet je er al veel van kennen.

Je zegt dat het instrumentarium van veel folkgroepen te beperkt is. Wat bedoel je daar precies mee?
Toen de folkrevival in de jaren ’60 en ’70 begon, is er eigenlijk iets fout gegaan. Het instrumentarium dat toen als volks bestempeld en bespeeld werd was voornamelijk doedelzak, draailier en hommel. Met deze muziekinstrumenten ben je beperkt, je kan er maar anderhalf octaaf mee spelen en je zit beperkt met je bourdons. Een repertoire met 2, 3 of meer modulaties kan je er niet mee spelen. Je kan met bijvoorbeeld een doedelzak ook weinig aan dynamiek doen, je kan er niet luider of zachter mee spelen. Met dit instrumentarium kan je veel van de volksmuziek die door fanfare en andere dorpsmuzikanten werd overgeleverd niet spelen. Voor kleine diatonische accordeon geldt hetzelfde verhaal, tenzij je een zeer ontwikkeld instrument hebt. Snaarinstrumenten en blaasinstrumenten zijn veel meer geschikt voor dit repertoire.

Waarom zijn die instrumenten er bij de folkrevival dan doorgekomen?
Volgens mij heeft het te maken met de eerste contacten met Frankrijk, begin jaren 70, toen zat ‘de Franse microbe’ er al in. De eerste stages draailier en doedelzak in Vlaanderen werden begeleid door Fransen, zij hadden geen kennis van een Vlaams of Waals repertoire. De revival is misschien iets te vroeg gekomen. De revival kwam voor het onderzoek en het was beter andersom geweest.

Onze traditionele, instrumentale muziek staat dichter bij de Duitse dan de Franse muziek. Er zijn hele goeie volksmuziekmuzikanten in Duitsland en Oostenrijk. En ze dansen daar ook zeer goed. Als ik dat vergelijk met Bretoense rijdansen, vind ik dat daar veel meer inzit. Maar die Duitse muziek is altijd heel negatief voorgesteld, als hoempapa-muziek met veel blaasinstrumenten. Maar zo simpel zit dat toch niet allemaal in elkaar hoor.

Wat is dan volgens jou de ideale situatie voor de volksmuziek?
Ideaal zou zijn dat er meer interesse komt voor het andere instrumentarium, dan is er veel meer mogelijk. Als iemand die draailier speelt, daarnaast ook nog klarinet of viool speelt, dan brengt dat totaal andere mogelijkheden mee.

Ik heb het repertoire in mijn boek ter beschikking gesteld, maar ik vrees dat het niet zoveel gespeeld zal worden, omwille van de beperktheid van veel instrumenten. Ik hoop dat folkmuzikanten het boek gaan lezen en zo kennis kunnen maken met het repertoire, en ik hoop dat ze er gebruik van zullen maken. Ik hoop ook dat mijn boek kan doorsijpelen naar de fanfare- en harmoniemuzikanten toe. Ik probeer dit zelf ook te promoten, maar dat kan ik alleen maar lokaal.

Je ergert je soms ook aan mensen die zeggen dat ‘de Vlaamse volksmuziek’ niet bestaat of ‘te eenvoudig’ is?
Ik ervaar bij veel zogenaamde ‘kenners’ een desinteresse voor de Vlaamse volksmuziek en ze cultiveren die. Ze zeggen dan dat Vlaamse volksmuziek niet echt bestaat. Maar eigenlijk betekent het gewoon dat ze het zelf niet kennen. Ik ken niets van Eskimomuziek, maar daarom zeg ik toch ook niet dat ze niet bestaat? Men reduceert de Vlaamse volksmuziek vaak tot 2 of 3 akkoorden, maar er is veel meer. In Wallonië is het net zo gegaan, daar is de situatie minstens even erg.

Kunnen jonge muzikanten iets met jouw boek? Zit er genoeg aantrekking in, kunnen ze er creatief mee zijn?
Als je klaar wil zien in onze volksmuziek dan moet je zo’n boek goed lezen, er voorbeelden uithalen en zien wat je ermee kan doen. Je hoeft het voor mij niet te doen zoals het traditioneel was, je kan met die melodieën doen wat je wil. Het is allemaal dansmuziek, dus het is voor de folk allemaal te gebruiken.  Misschien vindt men blaasmuziek en begeleidende violen binnen een aantal jaar wel boeiend en mooi.

Moet folk ook niet commercieel zijn om te overleven?  
In de muziekwereld gaat het tegenwoordig in grote mate alleen nog maar om commerciële dingen. Waarom protesteren klassieke muzikanten daar niet tegen? Simpelweg omdat ze niet commercieel zijn ingesteld. De commercie speelt ook in de wereldmuziek: Le Mystère de Voix Bulgare of de polyfonie uit Sardinië, de Ieren, die maken veel reclame voor hun muziek, en dat werkt.

Er zijn ook landen die de volksmuziek op een politieke manier proberen uit te spelen. In andere landen, zoals bijvoorbeeld in Nederland, neemt men om diezelfde reden resoluut afstand van de eigen volksmuziek.

Sommige muziekacademies hebben nu ook folkafdelingen, maar de vraag is wat ze precies met folk doen. Je zou verwachten dat de subsidiërende Vlaamse Gemeenschap verwacht dat er ook Vlaamse volksmuziek aan bod komt, maar dat is lang niet overal zo. Folk en volksmuziek worden vaak verward. De jeugd leest ook weinig partituren meer, die luisteren naar CD’s en halen daar ideeën uit. Ze hebben geen tijd om iets rustig te bestuderen, dat is het grote verschil. Ook mensen die met dans bezig zijn, kennen de geschiedenis achter die dansen niet. Dat is toch zonde. Met de folk gaat het goed maar met de traditionele volksmuziek helemaal niet.


MUZIKANT

Heb je nooit zin om je eigen muziek te maken?      
Ja, maar ik heb er geen tijd voor. Ik heb dat al wel gedaan hoor, ik heb een paar walsjes en een paar polka’s geschreven. De ‘Wals onder de toren’ voor doedelzak is redelijk goed bekend. Maar ik heb niet de behoefte om volksmuziekmuziek te schrijven. Dan zou ik bijvoorbeeld liever iets componeren als Ralph Vaughan Williams, een Engelse componist, die rapsodies en symfonieën op basis van volksmuziek schrijft. Dat wil ik ook wel eens proberen, al weet ik niet of ik het zou kunnen. Er komt stilaan tijd vrij om dingen te proberen. Ik heb die achtergrond in mij, ik kan niet ‘uit het niets’ schrijven, ik denk dat ik snel in iets anders zou vervallen.

Moet volksmuziek mooi klinken? 
Met het BRABANT VOLKSORKEST en met LIMBRANT deden we ons best om de muziek mooi te spelen. Misschien is het fout dat we het te ‘proper’ willen spelen, we zouden misschien wat archaïscher moeten durven spelen.

Wordt de muziek van LIMBRANT bij ons geapprecieerd?
Het gaat goed met de folk, maar niet met de volksmuziek. Ik heb van de laatste CD van Limbrant nog nooit een nummer bij ons op de radio gehoord, in Oost-Europa en in New-York wel, maar hier niet. Vind je dat nu normaal? Ik weet het echt niet hoe dat komt, ik weet dat het een goede CD is.

Ik ben wat dat betreft teleurgesteld in de VRT. Ze hebben er van mijn boek amper of helemaal geen melding gemaakt. In dat boek zitten tientallen mogelijke radioprogramma's over volksmuziek vervat, maar er is geen interesse om er iets mee te doen. In geen enkel folkminnend land buiten België en Nederland is zoiets mogelijk.

Andries Boone, de zoon van Hubert en o.a. medebezieler van het experimentele Ballroom Quartet, is erbij komen zitten en volgt een deeltje van het gesprek. Vraag aan Andries: Kan Vlaamse volksmuziek jou als muzikant genoeg boeien? Andries: Natuurlijk. Ik speel ook mee in Limbrant. De laatste CD van Limbrant is qua nummers en sound een hele boeiende CD. Dit najaar komt er een derde CD, met blazers erbij. Ik vind het ook heel fijn om samen met mijn vader te kunnen spelen. Al ga ik sowieso nog eens iets met die volksmuziek doen, maar dan zonder onze pa, want ik weet niet of hij dat zou aankunnen…

Hubert: Ondanks die strikte structuur in de volksmuziek kan Andries er heel creatief mee zijn. Je moet alleen in die structuur in dezelfde akkoorden blijven denken.

Andries: Ik doe mijn eigen dingen, maar folk zit daar zeker in. Mijn muziekinteresse gaat ook meer naar het pan-Europese dan alleen maar naar de volksmuziek van hier.

Hubert, naar welke CD’s luister je zelf?
Ik heb van alle huidige folkgroepen minstens een CD. Maar in het algemeen luister ik er meestal geen 7 keer meer naar. Voor mij is het vaak te eenvoudig, met te weinig modulaties en zo. Pas op, dat wil niet zeggen dat ik het niet mooi vind, maar ik vind er te weinig uitdaging in. Met sommige klassieke muziek heb ik dat wel. Ik koop nu vooral CD’s met heel rustgevende muziek, ik ben een barokliefhebber en ook de Vlaamse (en Waalse) polyfonie boeit me enorm. Dat is heel ingewikkelde muziek. Als je muziek gestudeerd hebt, dan beleef je muziek anders. Ik zit met de geest van een  geoefende musicus en wil graag weten hoe die partituur in elkaar zit.

Heb je soms behoefte om eens niet met muziek bezig te zijn?
Nee, helemaal niet, ik ben altijd met muziek bezig. De dag dat ik dat moe word is het hopelijk ineens gedaan. Ik fiets ook graag, ritten van 60 tot 80 km en zelfs meer. Dan zit ik dikwijls ook met muziek in mijn hoofd. En wat ik dan ook wel graag doe, is onderweg op café iets gaan lezen dat me boeit, meestal gaat dat dan ook over muziek. Heel mijn boek is zo gegroeid.


VERLEDEN, HEDEN EN TOEKOMST

Zijn er dingen die je had willen doen die je niet gelukt zijn?
Ik had graag opleidingen gegeven om volksmuziek te leren spelen, maar al mijn energie is naar het schrijven van boeken gegaan. Ik heb bijvoorbeeld voor het instrumentenmuseum een boek over de accordeon geschreven, het moeilijkste boek dat ik ooit geschreven heb, met alle verschillende systemen, vingerzettingen en technieken. Geen een van die instrumenten wordt nog gemaakt of bespeeld. Of voor de voetbas bijvoorbeeld. Daar is nu weer wat interesse voor, maar niet voor het muziekinstrument om zichzelf, wel als stunt. Ik heb veel jaren werk aan die boeken gehad. Het is historisch interessant, maar voor deze instrumenten is het afgelopen. De bandoneon is in Argentinië beschermd en gaat een UNESCO-statuut krijgen. Waarom is zoiets bij ons niet mogelijk?

Wat zijn je toekomstplannen?
Over een paar maanden wordt mijn archief als schenking overgedragen aan de gemeente Kampenhout. Het gaat ongeveer om ca. 1200 titels (boeken, overdrukken) en een 40-tal instrumenten. Een gedeelte wordt in september ondergebracht in het oud gemeentehuis (de Villa Lucie) en krijgt later een plaats in de oude pastorie. Het wordt toegankelijk voor iedereen. Het ligt in onze bedoeling om nu en dan speciale activiteiten te organiseren rond het muzikaal erfgoed, met andere woorden activiteiten die elders niet aan bod komen. De naam wordt Brabants Centrum voor Muziektradities. Vooral het Brabantse element zal hierin een rol spelen en er zullen thematische tentoonstellingen kunnen zijn. Het wordt geen museum, maar een levend centrum. Ik hoop dat er een goede samenwerking kan tot stand komen met andere instellingen en verenigingen zoals Muziekmozaïek, het Muziekinstrumentenmuseum,…  

In heel de streek zijn er een 15-tal dansen met muziek en choreografie opgetekend. Die gaan we met verschillende mensen terug in de scholen aanleren. De helft van de kinderen doet het heel graag, een kwart weet het niet en een kwart vindt het maar niets. Leer de mensen hun eigen erfgoed aan, begin daarmee. De Kadril van Kampenhout moet je niet gaan aanleren in pakweg Zandvliet, begin met de dingen uit je eigen streek. We zijn ook al met fanfaremuzikanten samengekomen om hun de streekeigen melodieën aan te leren. Daar is interesse voor, maar het is niet gemakkelijk, want de mensen hebben er geen tijd meer voor. Een fanfare moet presteren en haar concerten geven. Ik hoop dat het zal lukken.

Voor al die initiatieven heb je geld nodig. Er wordt heel veel subsidies gegeven, maar voor het eigen erfgoed is het moeilijk. Men vraagt me dan bijvoorbeeld of ik mijn project niet ‘in een Europees perspectief’ kan plaatsen. Ik heb niets tegen Europese projecten, maar voor iets heel lokaals is precies geen plaats meer. Ik ga ook graag naar het buitenland, maar ik zie me morgen hier nog geen koor oprichten om Oekraïense kolchozenmuziek te brengen. Ik kom uit een dorp waar één traditie was. Ik kom niet uit de stad en heb geen inwijkelingen naast mij wonen waarmee ik muziek zou kunnen maken. Ik speel met een boer van hier wat verder. Op het platteland is een traditie, dat is totaal wat anders dan een Europees perspectief.

Publiceren ga ik niet veel meer doen. Er komt binnenkort wel een nieuwe CD uit met Limbrant, samen met de Waalse groep Á Râse dè Têre. Ik hoop dat de muziek zo verder verspreid geraakt. Er komt hopelijk dit jaar ook een CD uit met de beste Oost-Europese veldopnames die ik maakte.

Heb jij leerlingen?
Nee. Ik maak er ook geen reclame voor. Ik ben tot nu toe fulltime met mijn  boek bezig geweest. Maar misschien zou dat wel kunnen als er mensen naar mij komen. Ik zou dat graag doen met fanfaremuzikanten, maar die zijn ook met andere dingen bezig.

Hoe zie jij de ideale ontwikkeling van de volksmuziek?
Mijn idee van een revival is dat mensen in een bepaalde streek ten minste een 20-tal van hun melodieën en dansen kennen. Maar om dat te realiseren heb je een structuur nodig, en geld. Maar dat is er niet voor. De radio, Muziekmozaïek en Dranouter zijn er niet mee bezig. De volksdansgroepen maken nog het meest gebruik van mijn melodieën. Ik heb nog een heleboel plannen, maar daarvoor heb je een structuur nodig. Ik zou voor de radio themaprogramma’s willen maken waar mensen die er interesse in hebben naar kunnen luisteren en iets van opsteken. In mijn laatste boek staan heel wat programma’s voor de radio, bijvoorbeeld over de polka, je kan een paar melodieën bespreken, laten horen hoe ze in elkaar zitten,... Dat wordt wel gedaan voor andere muziek, maar niet voor de onze. 

Hoe wil je herinnerd worden? Wat is het belangrijkste dat Hubert Boone betekend heeft?
Het ergste is dat je BV gaat worden, dat is echt niet mijn stijl. Ik hoop dat er de komende 5 jaar nog iets komt van al de dingen die ik nog wil doen. Ik wil iets van de volksmuziek terug levend maken en er mee voor zorgen dat het in de gemeenschap terug begint te leven. Maar ik maak me niet teveel illusies, ik heb al zoveel gedaan dat niet meer gelezen wordt. Een paar jaar geleden zat ik met een tiental deskundigen in de jury van het Boombalfestival. Ik polste eens wie mijn vorige boek kende, en daaruit bleek dat van al die juryleden die al lang in de folk zaten alleen Wim Claeys en Erwin Libbrecht het gelezen hadden. Sommige juryleden hadden er nog nooit over gehoord. Als er een boek verschijnt over iets waar ik mee bezig hen, dan koop ik het, of ik weet op zijn minst dat het bestaat. Ik wil niet dat de mensen mij kennen, maar wel dat ze mijn boeken kennen omwille van hun inhoud.



(Sterrekruid)
02/06/2011 23:57

Bookmark and Share
© folkroddels.be
reacties
Mooi Stella, ik zet het boek op mijn verlanglijstje. Ik zal er zeker inspiratie in vinden al vraag ik mij een beetje af wat "mijn" traditionele muziek is. Mijn jeugd bracht ik door in Katelijne, tegen Mechelen, ik woonde een tijdje in de Antwerpse Kempen en woon sinds 85 in Antwerpen. Voor mijn opleiding ga ik naar Gooik en workshops met André Deru zijn Waals getint.

Merlijn, 03/06/2011 13:14 (26276) - top
voeg commentaar toe... (disclaimer)

Folkroddels Radio
bijschrift
  • I
  • streek: Niet doorgegeven
  • I
  • datum:
  • I
  • genre(s):
  • I
  • website:
  • I
  • email: hubertboone@hotma...
  • I
  • aantal malen gelezen: 2246
  • I
  • artnr: 47712
    redactie
  • I
  • wijzig artikel
  • I
  • upload foto
    verwante artikels
  • I
  • Foto's bij het interview met Hubert Boone (foto-reportage)
    mail
    Mail dit artikel naar een vriend...
    Recentste Interview 
    achterklap
    Mooie videoclip van deze plaat op https://www.youtube.com/watch?v=K1REDX8kMyk ...

    Hallo, Op zondag 25 februari 2018, vanaf 14u, hommage-optreden aan John Lundström in Den Beulebak te...

    Welkom op Sonamos Latinoamerica dan: http://www.folkroddels.be/artikels/53204.html
    ...


    snelnieuws
  • I
  • Fairport Convention
  • I
  • Marco Van Wesemael: Vederlicht // boekvoorstelling
  • I
  • Hide & Seek Festival: Baul Meets Saz (Ind/Turk)
  • I
  • Minyeshu TRIO (Ethiopië)
  • I
  • Hide & Seek Festival: Renaud Garcia-Fons (FR)
  • I
  • Raphaël De Cock & Edwin Vanvinckenroye
  • I
  • Hide & Seek Festival: Justin Vali Trio (Madagascar
  • I
  • Hide & Seek Festival: Clarinet Factory (CZ)
  • I
  • Hide & Seek Festival: Egschiglen (Mongolië)
  • I
  • Hide & Seek Festival: Tiny Legs Tim
  • I
  • Soetkin Collier Trio // gratis concert
  • I
  • Naragonia Quartet– Mira – 2018 – Homerecords
  • I
  • Sinnekloas danst // gratis Baleynbal
  • I
  • GUSTAVO ECCLESIA- ARGENTINA
  • I
  • ROBY LAKATOS ENSEMBLE
  • I
  • 3de Festival "Bals et Roses"
  • I
  • QUEBRACHE ARGENTINE TANGO AND FOLK
  • I
  • DÍAZ/MOLINA GUITAR DUO ‘PAMPA DEL PLATA’ ARGENTINA
  • I
  • DOIMNIC MAC GIOLLA BHRÍDE- IRISH TRADITIONAL
  • I
  • MUSIC FROM CRETE
  • I
  • O CLUBE DO CHORO DE BRUXELAS INVITES
  • I
  • Vishtèn // concert i.s.m. CC Sint-Niklaas
  • I
  • Het Brabants Volksorkest Mazur-Polkadag Herent
  • I
  • Jonas Meersmans
  • I
  • Hide & Seek Festival 2018
  • I
  • SCINTILLA- MUSIC FROM BRAZIL
  • I
  • BANSURI MEDITATION FABRICE DE GRAEF
    © Folkroddels.be 2005 - Contact - Redactie - Disclamer - Webdesign - Sitemap

    des: Arban