DUO JONSSON COUDROY – Vind (BEMOL PRODUCTIONS, BEMO 045) 2011 – 45’07”
Een luttele twee jaar na hun ‘VÄGG’ (‘Muur’) staken Lena Jonsson en Martin Coudroy andermaal de koppen bij elkaar om een hele set dans-, hoewel evengoed luistermelodieën op een cd-schijf te persen. Met hun Scandinavisch ge(s)temde viool (Lena) en de Frans gekleurde diatonische accordeon (Martin) verrassen deze jonge muzikanten ons andermaal met heel onderhoudende intieme, vaak tedere conversaties.
Lena Jonsson heeft de allures een wereldburger te zijn, gezien ze in 1986 het leven zag in het Indische Ahmadabad en als freelancend volksmuzikant haar tijd verdeelt tussen Zweden, Frankrijk en de V.S. Drie jaar terug kreeg ze de titel van ’riksspelman’ toebedeeld, waardoor ze zich ’Zweeds nationaal volksmuzikant’ mag noemen, gespecialiseerd in melodieën uit het zuiden van Hälsingland. Deze titel – voor het eerst toebedeeld in 1933 – is niet zonder enig prestige. Gemiddeld wordt ze jaarlijks aan een tiental muzikanten toegekend, zodat er momenteel een 300-tal actieve ’riksspelmannen’ Zweden onveilig maken. In 2010 maakte ze haar studies af aan de ’Kungliga Musikhögskolan’ (Koninklijk muziekcollege) in 2010 op de afdeling volksmuziek. Lena Jonsson is een freelance folk muzikante, voornamelijk gevestigd in Zweden, Frankrijk en de Verenigde Staten. Ze voltooide haar studie aan de ’Kungliga Musikhögskolan’ (Koninklijk muziekcollege) in 2010 op de afdeling volksmuziek. Ze speelt verder ook nog in de rockband SKENET (lichten) en het viooltrio LIMBOHOFVET.
Martin Coudroy van zijn kant kwam als 13-jarige in contact met Marc Perrone en leerde zo de trekzak kennen. Ondertussen behaalde hij zijn Diplôme Universitaire de Musicien Intervenant, en verzorgt hij al een tiental jaar in binnen- en buitenland lessen en stages. Hij ging zich vooral toeleggen op het Bretoense en het Zweedse repertoire. Een muzikale ontmoeting met Lena was dan ook niet zo toevallig te noemen.
En dialoog vormt hier de meest aangewezen typering als we ons oor te luisteren leggen bij de heel broze, maar tegelijk energieke melodielijnen van beide instrumenten, voortdurend rond elkaar flanerend, als volwaardige dansers. De muziek op ‘VIND’ (‘Wind’) ademt de traditionele wortels van hun beider culturen, die niet toevallig een hele danserfenis in zich dragen. En ze doen aan kruisbestuiving wanneer hun klanken zich, elkaar versterkend vermengen in een levendig, onderhoudend en blijmoedig timbre. Zo krijgt een polska een Franse, een bourrée een Scandinavische toets, en dit op zo’n natuurlijke wijze dat het lijkt alsof het reeds altijd zo geweest is. Naast traditionele nummers tekenden ze zelf voor een aantal van de nummers, en vinden we ook enkele composities van anderen terug. Telkens is er weer dat gracieuze, ronddraaiende omspelen van elkaar, met een strakke ritmiek die de danser doet likkebaarden. Af en toe doen ze ons dan ook sterk denken aan ons ‘eigen’ DUO MONTANARO-CAVEZ.
Coudroy zet er meteen stevig pompend de beuk in Jonssons’ ‘Wellnesschottis’, die ze schreef op een dag waarin ze zowat alle mogelijk vormen van ‘Wellnes’ vermocht te ervaren, terwijl ze samen in de pen kropen voor een dromerige, winterse ‘Morningvalse’, die zijn ontstaan kent in een gedeelde winterse week in Bretagne. Met ‘Lillpolskan after Nils Nordén/Scottish à violon’, respectievelijk van Kus-Nisse en Gabriel Lenoir komt een instrumentaal huwelijk tot stand tussen Zweden en Frankrijk. De polska is een typisch product van de thuisbasis van Lena, Hälsingland en laat zich naadloos verbinden met het Franse luik. Langgerekte trekzakakkoorden krijgen het gezelschap van lichte krasserige vioolhalen die zich geleidelijk ontpoppen tot een sierlijke melodieuze lijn in ‘L’autre temps’, een al wat oudere compositie van Coudroy, die in set gezet werd met ‘7-2’, een nummer dat Lena schreef om haar favoriete bandy-team uit Bollnäs in de bloemetjes te zetten na een gelijkaardige overwinning. Mazurka-tijd wordt het met Coudroy’s ‘Matin à Lille’, waarna ze de wals ‘Danllapoch’ van de franse accordeonist Jo Privat een meeslepende eigen interpretatie ten gehore brengen. Tijdens een extreem sneeuwerige winter ontstond het slepend op viool ingezette ‘Snö på taket’ (‘Sneeuw op het dak’), waarbij de trekzak vanuit een verre achtergrond bijstand verleent. Het bleek een perfecte begeleidingsmelodie bleek te zijn voor de Bretoense traditional ‘Le garçon filandier’. En met de daarop volgende ‘Gavotte’ blijven we even in Bretoense sferen, waarbij beide instrumenten afwisselend gaan soleren, het gezelschap krijgend van ‘Nattleken after Gudmund Tåberg’ van Tång Gudmund, waarop Lena heel virtuoos haar viool laat uitdoven. Met pizzicato-klanken ondersteunt ze vervolgens de trekzakopening in ‘Finpolskan after Erik Nirsa/Rondeau’. Het tweede deel van deze langzame, bij momenten barok aanvoelende set vormt een traditioneel nummer uit het Zuid-Westen van Frankrijk. Een van de compositorische hoogtepunten op dit album is ongetwijfeld, het stevig rockende ‘Mister D’ (geschreven door Lena), dat zich vooruit laat rollen als een losgeraakte steen. Afgesloten wordt met een geschenk voor haar vader’s 60ste verjaardag, ‘Sjön’, een wat melancholisch openend nummer waarbij de viool zich vastankert op de bassen van de trekzak om van daaruit sierlijke passen te zetten.
Heerlijk te horen hoe de Scandinavische en Franse muzikale legaten elkaar hier weten te vinden in een opzet waarin het geheel nog meer instrumentale rijkdom uitstraalt dan de afzonderlijke delen. De schitterende arrangementen waarin alle technische bagage die ze bezitten zich bundelt maken deze dansschijf zeker ook tot een heerlijke luisterplaat.
Bezetting:
Martin Coudroy: trekzak.
Lena Jonsson: viool.
Meer informatie: